Arnhem, diverse locaties in de stad
14 oktober — 20 november 2016

Inleiding: Iedereen is Gantenbein

Gelder­land, groot­ste provin­cie van ons land. Arn­hem is hoofd­stad, Nijmegen het dichtst bevolkt en Apel­doorn, Apel­doorn waar ik als kind pad­den ving en kuilen groef, dat heeft het groot­ste opper­vlak. Twaalf jaar jeugd in Apel­doorn, ben ik dan een Gelder­lan­der? Of heeft de provin­cie me ver­lat­en toen ik de grens over­stak, naar Utrecht. Zit het bos van Apel­doo in mijn DNA, krullen de takken ron­dom mijn skelet, mijn han­den als uit­lop­ers, mijn mond als een rode appel die we kocht­en bij de kroon­domeinen, naast paleis het Loo. Plaat­sen als t Kip, Achter­ste­hoek, Ede, Epe, De Tuut. Vossen­pels. Née, ik ben geen Gelder­lan­der, nie­mand is een Gelder­lan­der. Hoo­gu­it een Achter­ste­hoek­ster, een Apel­doornse. Voor even. 

Het Wapen van Gelder­land: Twee dubbel­staar­tige leeuwen met hun tong ver uit de bek, de mond­holte fel­rood, krul­lerige manen. Fier rech­top houden ze een schild omhoog waarop twee exact dezelfde leeuwen staan afge­beeld die tegen elka­ar op klauwen, spiegel­beeldig, de link­er in goud en de rechter in zwart. Recent ingek­leurd? Moluks? Zwarter dan roet? Boven het schild een hertogskroon. 

We zijn allemaal Gantenbein

Ik ben de kleer­mak­er uit Turk­i­je. Van­mid­dag was er een man in mijn winkel. Kapotte kleren? Het ver­len­gen of verko­rten van broeken, het inzetten van een rits? Née de man had niets anders bij zich dan het feit dat hij kun­ste­naar is. Dat bracht hij mee en dat legde hij op tafel tussen ons in. Hij vertelde over een eerder project dat hij had gedaan met een brief van Van Gogh als uit­gangspunt. When I give, I give myself.’ Mijn ziel leefde op, onze cul­tu­ur is vri­jgevig. Met klanten praat ik over de kleuren van het garen, over het her­s­tel van kleine of grote gat­en. Stop­page. Nu las de kun­ste­naar een stuk­je uit de brief van Van Gogh voor. Tegen het blauwe fond schit­ter­den de ster­ren, helder, groenig, geel, wit, lichtroze – helderder, fonke­len­der, meer als edel­ste­nen dan bij ons – zelfs meer dan in Par­i­js.’ Van Goghs brief van 3 of 4 juni 1888. Ja, vaak als ik mijn winkel uit­stap is het al donker en dan besef ik dat deze maan en ster­ren ook de bergen in Turk­i­je beschijnen.

Het universum is groot

Ik laat de kun­ste­naar een foto zien van het land waar ik van­daan kom. We voeren een foto­ge­sprek, een dialoog met beelden. De kun­ste­naar Simon van Til legt uit dat hij de werke­lijkheid dupliceert als mogelijkheid om dichter bij die werke­lijkheid te komen. Ik repa­reer, hij ver­dubbelt. Ik trek lange draden omhoog bij het rij­gen van het garen.
Het uitrekken van de tijd.
Nu hangt er een rechthoekige gele zon in mijn naa­iate­lier. Plus twee foto’s, iden­tieke foto’s.

Iedereen is Gantenbein.

De roman Gan­ten­bein van Max Frisch is een zoek­tocht naar de werke­lijkheid waar­bij de verteller geschiedenis­sen aan­past als kleren’. De oor­spronke­lijke titel is Meine name ist Gan­ten­bein. De roman is een ver­war­rende roller­coast­er van ervarin­gen waar de ik-per­soon in ervarin­gen duikt om ze ver­vol­gens weer los te lat­en en een nieuwe rol te beproeven. Door een pikzwarte bril ervaart hij het lev­en van een blinde, voe­lend en luis­terend. Het zijn fic­tieve lev­ens die hij aan­past. Uit­probeersels. Ik stel me voor.

De werke­lijkheid kan alleen maar omzichtig van ver­schil­lende kan­ten wor­den benaderd’, schri­jft Frisch. Hij betast de werke­lijkheid mid­dels een voorstelling van mogelijke lev­ens. Mogelijke realiteit­en.
Net als Gan­ten­bein verza­me­len we allen realiteit­en. Onbek­ende gebieden. Door te lezen, op reis te gaan, in gesprek te gaan, in een echte uitwissel­ing dan. Onbek­ende deelt­jes plakken we aan de ons al bek­ende ervarin­gen. Zo brei­den we onszelf uit, wor­den we zachter, tol­er­an­ter.
Ik ver­lang er naar om kun­st weer in de samen­lev­ing te plaat­sen’ schreef Aernout Mik. Deze Biën­nale is niet meer dan een mogelijkheid daar­toe. Het muse­um uit, de arti­fi­ciele muren achter zich latend, kun­st vanu­it een dialoog. De gele­gen­heid om met een rechter te spreken, een viool­bouw­er, een bib­lio­the­caris of een vrouw met een wild en vrij verleden. Heel gewoon dus eigen­lijk. Het zou je buur­man of buurvrouw kun­nen zijn, alleen brengt de Biën­nale de dialoog bin­nen de struc­tu­ur van een exposi­tie: een bewon­er als gesprekspart­ner om te komen tot een kunst­werk. Twee mensen aan de praat met elka­ar met nieuws­gierigheid als zout en peper. Een nieuw kunst­werk dat als een soort gek­leurde kauwgum­bel op dat lev­en wordt geplakt. 

Een ander lev­en: ik stel het me voor. Ja daar komt het in mijn gedacht­en: buite­naards, miss­chien wel onder­gronds. Kun­ste­naars zijn daar experts in. Een kun­ste­naar komt dan ook nooit met lege han­den bin­nen. Eerder met een hoofd en lijf dat over­loopt van ver­beeld­ing, van geestver­rukking, vol schaduw­beelden, hersen­schim­men, omtu­ime­lend van illusies en obsessie. En wat te doen met de realiteit? Maar welke dan, die van jou of mag ik mijn eigen realiteit aan­houden? Wat is de grond onder mijn voeten? Kun­ste­naar peilen de realiteit. Ze nemen heel hun bagage mee naar de bewon­ers en in de han­den die wor­den geschud ontstaan nieuwe vonken voor reeds gevor­mde gedacht­en­goed.
Je kunt alles vertellen, alleen niet je werke­lijke lev­en’ vin­dt Stiller, een ander per­son­age van de schri­jver Max Frisch. Ik heb geen taal voor de werke­lijkheid’ Gan­ten­bein, die geschiedenis­sen aan­past als kleren. Die ervarin­gen opdoet en er een ver­haal uit melkt. 

Een voor­beeld: De deur van de opslag valt achter je dicht. Je herin­nert je nog de vrouw die haar fiets van het slot nam en weg reed. Onverwacht loopt ze daar in de opslag met een hand­doek om zich heen ges­la­gen. Ja, je kunt haar blossen zien, de imprint van een romige ont­moet­ing met haar min­naar. De aan­blik van deze prachtige vrouw met nat­te haren in een hand­doek snoept de rest van de dag door je gedacht­en. Aan­lei­d­ing tot fan­tasie. Een denkbare realiteit. 

Gan­ten­bein, die geschiedenis­sen aan­past als kleren. Welke rol is urgent?
Voor Hei­di Sin­cu­ba is dat zon­neklaar. Ze schri­jft: It wasn’t long before the first white man came for me. Pasty, for­eign and set to save me. And it wasn’t long before the first white man tired of me. Teach­ing me that I was more than I should be. And I looked down. With each white man who fan­cied him­self the hero, I learned a bet­ter way of look­ing down.’
Urgen­tie, urgen­tie, Ik voel het tot in mijn bot­ten, de noodza­ak om de wereld te elec­tri­fi­ceren met een meer open blik. Zwart. Een zwarte vanzelf­sprek­end­heid. Ik heb bei­de oren nog, en hoor de com­mentaren, ik heb bei­de ogen nog, en zie de blikken. Maar de liefde is even urgent. Toen sprak ze… Dit bewoog me en ik ont­waak­te.’
‘‘Ik wou dat ze mij maar namen zoo als ik ben’, schri­jft van Gogh in brief.
Het gesprek met de viool­bouw­er stok­te door liefdesver­dri­et van de kun­ste­naar. De geliefde had zich opges­loten in zijn hoofd wilde er niet uit, als een negatief van de werke­lijkheid waarin ze juist de ban­den had ver­bro­ken. Te mid­den van de knel­lende band van het ont­breken, van iets dat weggenomen is, was het onmo­gelijk om iets toe te voe­gen, de wereld iets te geven. Een kunst­werk te mak­en. Kon de wereld hem dit keer iets geven, om verder te komen in deze ver­nauwde tijd?

Het is geen tijd voor ik-ver­halen. En toch voltrekt het menselijke lev­en zich mid­dels het indi­vidu­ele ik, of het valt in die ik te plet­ter, ik en ner­gens anders, daar is het lev­en, zo lezen we het in de boeken van Frisch.
Het is de tijd van samen­werken. He catch­es the world on the move, he is a ten­ant of cul­ture.’ Knip­pend, skypend, reizend, archiv­erend en benoe­mend komt Hen­drick­je Schim­meltot haar archief/​collectie, als een her­aut van de nieuw garde. Ze voorzi­et het einde van het papieren boek en roept de hulp in van anderen om Het laat­ste boek te mak­en. Straks mag de bezoek­er daaruit weer zijn eigen boek samen­stellen. Een geza­men­lijke inspanning.

Of Ide Andre, die zijn intrek heeft genomen in de ver­waar­loos­de tuin van een woon­groep en samen met hen een schilder­ij wil mak­en. Niet door te schilderen maar door een bar­be­cue te organ­is­eren. Zijn schilder­doeken zullen de spet­ters van de bar­be­cue­saus opvan­gen, de voet­stap­pen van de bewon­ers, de sigaret­te­nas die er op valt. Din­gen als vanzelf lat­en ontstaan en zo de hiërar­chie achter je lat­en. Liv­ing giv­ing hoort bij deze gen­er­atie.
Wat is zin­vol? Alles wat de span­wi­jdte van je denken ver­g­root. Wat heeft deze tijd nodig? Ver­draagza­amheid. Open­heid. Het gesprek. Dat leek me een vertrekpunt. Het gesprek, een kennismaking.

Liv­ing Giving.

Hanne Hage­naars, cura­tor Bien­nale Gelderland

Deel­ne­mende kun­ste­naars: Aline Eras, Danielle Lemaire, Fiona Lut­jen­huis, Hanne van der Woude, Hei­di Linck, Hei­di Sin­cu­ba, Hen­drick­je Schim­mel, Ide Andre, Kinke Kooi, Mai­son the Faux (Joris Suk en Tes­sa de Boer), Mouni­ra Al Solh, Rinke Nijburg, Rudolf Romero, Simon van Til en Nazmiye Oral. Solo’s: Dori­an Hiethaar, Ben Joost­en, Ger­ard Koek, TADA pro­jecten (Mar­i­je Ver­meulen en Gui­do Nieuwendijk) en Lieven Hen­driks & Jaap Kroneman.

Tentoonstelling Biënnale Gelderland

ga naar pagina lijn