Dsc07384

Hanne Hage­naars (1960) is pio­nier in de wereld van de kun­st. Ze was ini­ti­atiefne­mer van het tijd­schrift The dum­my speaks, een asso­ci­atief en visueel tijd­schrift voor jon­geren over beeldende kun­st dat ze ook samen met jon­geren maak­te. Geen edu­catieve opzet maar vernieuwend in zijn aansprek­ende taal en beelden. Mis­ter Mot­ley knoopt kun­st en lev­en aan elka­ar’ was het mot­to van het tijd­schrift dat Hage­naars in 2004 bedacht en waar­van ze negen jaar lang hoof­dredac­teur was. Het mag­a­zine mis­ter Mot­ley richtte zich op een breed en divers pub­liek door te werken vanu­it the­ma’s zoals Empathie, Taal of Ide­al­isme. In de heldere stukken door en over kun­ste­naars druipt de fas­ci­natie er af’, schreef Trouw over het num­mer De schaduw­stad. In 2006 pub­liceerde ze haar eigen boek Geen wolk, hoe kun­st mijn lev­en red­de. Het mot­to van Mot­ley ver­wo­ordt ook haar per­soon­lijke missie in de kun­st: steeds zoekt ze naar inven­tieve manieren om de heden­daagse kun­st bij een divers pub­liek te bren­gen, vanu­it het rotsvaste vertrouwen in de kracht van de kun­st. Ze schri­jft essay’s, maakt ten­toon­stellin­gen, werkt als cura­tor van het Studi­um Gen­erale voor de KABK en gaf jaren­lang les aan diverse academies.

In 2023 pub­liceerde ze het boek Mis­sen als een ronde vorm’.

Wilma Sütö over Hanne Hagenaars

Zon­der kun­st geen lev­en. Hanne Hage­naars spint glanzende draden tussen­bei­de, waar­langs de liefde, de lach en het ver­dri­et ver­gli­j­den; de schoonheid en de duis­tere kan­ten van het bestaan. In haar kun­stkri­tieken, boeken, ten­toon­stellin­gen en in de kun­st­ti­jd­schriften die zij heeft opgericht, zoals The dum­my speaks en het voor de actuele kun­st gezichts­bepal­ende mis­ter Mot­ley, is het dat samen­spel dat telt: woord en beeld, gevoe­lens en gedacht­en, kun­st en lev­en zijn één. 

Het is een mys­terieus maar onom­won­den ver­bond: vrij van enig voor­be­houd. Exem­plar­isch is de titel van het boek Geen wolk, hoe kun­st mijn lev­en red­de. Daarin beschri­jft Hage­naars hoe zij het spoor naar de beeldende kun­st vond, nadat zij stuitte op een doos vol foto’s op straat. Ze heeft dan al een kan­di­daats psy­cholo­gie voltooid in ver­volg op een soms duis­tere jeugd; een lev­en waarin gat­en zijn gevallen. Niet dat de kun­st die gat­en kan dicht­en, maar heilza­am is ze wel, zoals Louise Bour­geois in de dier­bare roze tek­st­teken­ing zegt: Art is a guar­an­ty of sanity. 

Hage­naars is een pio­nier van de per­soon­lijke stem in de kun­st, zon­der dat het over haarzelf hoeft te gaan. Inte­gen­deel: de kun­st neemt de hoof­drol in en wij als welkome lez­ers en kijk­ers kun­nen onszelf daarin weer­spiegeld zien. Alle mogelijke thema’s die er in de realiteit en in de kun­st toe doen zijn onder haar hoof­dredac­tie in mis­ter Mot­ley belicht: van kan­toor­rou­tine tot lichamelijk ver­lan­gen en van liefdesver­dri­et tot en met de dood. Dat is prachtig, zek­er wan­neer dat, zoals hier, pre­cies op de juiste toon gebeurt: troost­rijk, maar zon­der zal­vend, sen­ti­menteel of bel­erend te wor­den en niet te donker, maar zek­er ook niet te licht. 

Kun­st vervult bij Hage­naars een onmis­bare func­tie: ze hoeft niet bestre­den en niet verdedigd te wor­den, niet in een the­o­retisch kad­er gezet en niet op de ontleedtafel gelegd, née, ze glanst als een zil­v­eren ex voto in seculiere tij­den, een glimp van de ver­beeld­ing, die het ons mogelijk maakt scher­p­er naar de buiten­wereld te kijken en tegelijk­er­ti­jd de blik naar bin­nen te richt­en, waar bli­jheid en kwellin­gen lev­en naast nijd en uit­bundi­ge vrolijkheid.

In een kunstwerk van Erwin Wurm
Een foto van Jan Hoek