Img 0033

It needs to show that we have real­ly lis­tened.

Wim Wen­ders antwo­ordde op de vraag waarom hij films maakt: ever since this ter­ri­ble ques­tion was put to me, I ve done noth­ing but to think of how to answer it.’ Eigen­lijk weet hij het antwo­ord wel maar dat lijkt hem aan­vanke­lijk niet diep­gaand genoeg en te weinig betrokken. Toen hij 12 jaar was kreeg hij een 12 mm cam­era, plaat­ste die in de ven­ster­bank en filmde de straat, de auto’s en de pas­san­ten. En via de woor­den van Bela Bar­tok verk­laart hij. The abil­i­ty of the cam­era to show things as they are’.

Ik moest er aan denken bij de ten­toon­stelling The Floor is Lava van Witte van Hulzen en Sander Broere bij Mar­res in Maas­tricht. Ook het werk van Sander en Witte begint bij het observeren, bijvoor­beeld een alledaagse scene tij­dens een werkpe­ri­ode in Dordt­yard.
Op een dak werkt een man aan een zon­nepa­neel, zijn com­pagnon is even aan het bellen. Een obser­vatie, zo gewoon dat het weer bij­zon­der wordt. Een scene. En als je de exposi­tie bin­nen wan­delt beland je in een ver­bi­jsterende omk­er­ing van de werke­lijkheid, het dak is naar bene­den gehaald. Je loopt er over het teer, langs de dakrand. Bizar maar ergens accepteer je het ook weer met gemak. Als ik door een dakraam tuur zie ik een tele­visi­escherm waarop per­son­ages gezicht­en trekken. Een tong uit de mond.

Deze kun­ste­naars observeren en hun oog is vooral gericht op de mens, hun werk is als een net dat om het genre van het portret heen wordt gegooid. Hoe drukt de mens zich uit, mid­dels welke uit­drukkin­gen en gebaren en hoe zetten die zich vast als clichés, als vaste uit­drukking van een emotie, of miss­chien wel van sta­tus. Wan­neer wordt het een masker? Wie of wat is dat wezen, de mens? De kun­ste­naar observeert, denkt er het zijne van, maakt er een film over, een sculp­tu­ur van, een per​for​mance​.De trans­for­maties van hun obser­vaties wor­den gedreven door deze nieuws­gierigheid, en alti­jd met respect, miss­chien mag je het zelfs met liefde noe­men. Het werk moet ook tonen dat ze werke­lijk goed geluis­terd hebben, dat ze de ander goed begrepen hebben.

De grote zaal van Mar­res wordt bevolkt door een bont gezelschap aan per­son­ages. Een soort olifan­ten­paad­je lei­dt je er snel doorheen maar dat is nu is dat onmo­gelijk. Op het moment dat je bin­nen­stapt ben je onderdeel van het tafer­eel vol mensfig­uren. De sculp­turen, als acteurs, als per­son­ages zijn gemod­elleerd naar vrien­den , fam­i­lie, bek­enden, Xan­der en Lau­rie en Piet­je maar ook min­is­ter Grap­pen­huis valt te herken­nen in de expressieve keramis­che kop­pen. Er is geen wij en hen. Hun lichaam is een in gips gegoten afdruk van de kleren, soms zie je de rest­jes spijk­er­stof nog zit­ten. Mid­den in de zaal ligt een hoop­je mens met een porte­mon­nee in haar hand. Het ref­er­eert aan een tragis­che gebeurte­nis in Olden­za­al. In de Xenos vergeet een bejaarde vrouw om haar porte­mon­nee mee te nemen, de vol­gende klant, een 67 jarige vrouw, ziet het en steekt de porte­mon­nee stil­let­jes in haar eigen tas. Ver­vol­gens laat justi­tie de beelden van de bewakingscamera’s zien op RTV oost waar­bij de vrouw herken­baar in beeld komt. De vrouw geeft zich vri­jwillig aan maar dan zijn de beelden zijn al ein­de­loos gedeeld. De vol­gende dag pleegt de vrouw zelf­mo­ord. Het open­baar min­is­terie voelt zich niet ver­ant­wo­ordelijk voor de esca­latie op het inter­net. Deze kilte is hartver­scheurend. Alles lijkt totaal uit pro­por­tie getrokken. De kun­ste­naars geven hun eigen inschat­ting mid­dels de weer­gave van de gebeurte­nis. Een lood­zware porte­mon­nee. Mat­en en ver­houdin­gen zijn natu­urlijk de instru­menten van kun­ste­naars. De dig­i­tale media, de screens en hun effecten zijn het lei­d­motief in deze pre­sen­tatie, als een muzikaal the­ma dat steeds weer opduikt.

Als een pro­tag­o­nist staat een Messer­schmidt-achtig beeld aan het begin van de zaal opgesteld. Beeld­houw­er Messer­schmidt lei­d­de een teruggetrokken lev­en en werd vooral beroemd door de serie van 55 karak­terkop­pen, alle­maal zelf­portret­ten waarin steeds een bevroren emoties wordt uit­ge­beeld: de geërg­erde man, het top­punt van onnozel­heid. Messer­schmidt werk­te er aan in de nacht als hij werd voortge­dreven door door een geest die hem bezocht​.In zijn biografie staat dat rea­son occa­sion­al­ly seemed sub­ject to mad­ness, it was said, caus­ing men­tal con­fu­sion’ and unhealthy imag­i­na­tion.” Na een cri­sis was zijn sociale masker verdwenen.

De zalen die vol­gen staan vol tele­visie scher­men op tafels. 7 adressen in Utrecht zijn grondig bekeken en geportret­teerd. Hoe lev­en deze mensen? De mens, die armza­lige figu­ur die meestal zelf niet zo goed weet wat hij met zichzelf aan moet. Zijn hun­ker­ing naar gezel­ligheid, zijn hobby’s, de behoefte aan gezelschap Een knus prik­bord waarop tekeninget­jes met rode krassen hangen waarop weer met pleis­ters kruis­jes zijn gemaak. Een kussen­t­je op de bank. Een para­sol stan­daard van een koni­jn met kleine koni­jn­t­jes. Een Senseo, een planten­spuit een asbak, alles komt voor­bij. En ook hier is de schei­d­ing tussen zij en wij niet te mak­en. Wie herkent niet iets van het ver­lan­gen in het cheesy num­mer Take me home’ van John Den­ver, pre­cies het sen­ti­ment wat hier wordt opgeroepen in deze rake obser­vaties. Waar ben je thuis? Hoe is het mogelijk dat al die intrigerende details op zeven adressen zijn gevonden.

Het scherm keert op de vol­gende verdieping terug In a Flick­er­ing Light’. Op een leren banks­tel mogelijk skai, hangt een wezen­loze figu­ur. Het is een ver­volg op de per­for­mance die ik zag in het Veem the­ater. Vier acteurs lat­en zien wat het staren naar een scherm met ons mensen doet. Een onbe­weeglijk lichaam, als een brok gegoten gips, alle uit­drukking con­cen­treert zich in het gezicht. Alle expressie komen voor­bij, angst afgri­jzen, bewon­der­ing. Een waanzin­nige tussen­wereld. De per­for­mance eindigt met de vier acteurs die recht voor het pub­liek staan, met hun tong ver uit hun mond, dat duurt en duurt, ein­de­loos. Onver­draaglijk lang. Zo oncom­fort­a­bel. Een stil­gezette expressie, als in een beeld.
Kijken kan een kwelling zijn’, schreef Wim Wen­ders en dat was het zeker. 

In een gri­jze zold­erkamer er naast staan bustes van klei van met deze expressies. Een kille koude zold­erkamer vol gri­jze zwarte beelden. 

Als een Nar­cis­sus lijkt de mens geob­sedeerd door zichzelf. De self­ie is er de heden­daagse uit­drukking van. In de mytholo­gie liet Apol­lo Nar­cis­sus ver­liefd wor­den op zijn eigen spiegel­beeld als straf omdat hij de liefde van bergn­imf Echo niet beant­wo­ordde. Nar­cis­sus kwi­jnt weg want de liefde voor zichzelf houdt hem als een loop gevangen. 

Witte en Sander vertellen hun ver­halen die begin­nen bij obser­vaties in de werke­lijke wereld en lat­en ver­vol­gens de beeld­scher­men steeds opnieuw opduiken.
Wim Wen­ders laat zijn epos Until the end of the world’, een lange magis­che tocht over de wereld, eindi­gen met de beangsti­gende voor­spel­lende scene waarin mensen ver­slaafd zijn aan hun scherm. The end of the world won’t come from a nuclear blast, but from an abun­dance of self­ies’ schreef The Guardian. Een blik in de toekomst waar­van veel is uit­gekomen. De mensen rak­en het con­tact met elka­ar kwi­jt door het staren naar het licht van het scherm, daar zijn hun herin­ner­in­gen en dromen opges­la­gen en terug te zien. Allen ver­slaafd ger­aakt aan de beelddrug. 

In a Flick­er­ing Light’ geeft een totaal nieuwe inter­pre­tatie van de Couch-pota­to, een begrip uit de jaren 80, dat een ondraaglijke dimen­sie heeft gekre­gen. Wie is die mens, dat wezen met zijn obsessie voor zijn eigen beel­te­nis en voor de flikker­ing van het beeld­scherm. Witte en Sander nemen het stok­je van Wim Wen­ders over. De films van Wen­ders tonen het lev­en tussen de vervreemd­ing door de afbeeldin­gen van de realiteit (réclame, tele­visie, film) en het ver­lan­gen naar een hernieuwd, betekenisvol kijken. Wen­ders komt vanu­it de obser­vatie tot para­bels waarin hij zijn eigen kri­tis­che kijk op de werke­lijkheid geeft.
Witte en Sander komen vanu­it hun obser­vaties tot een getrans­formeerde werke­lijkheid waarin je als kijk­er je behoor­lijk huis voelt tot het onge­mak begint te kriebe­len. De beeld­scher­men zijn zicht­baar en onzicht­baar aan­wezig, de invloed op ons lev­en onmisken­baar. En de vra­gen over de werke­lijkheid van het lev­en zijn niet meer te ont­lopen. Schaamte is een beknel­lende maar hele menselijke emotie. Je han­den in onschuld wassen kun je alleen doen in een robot ver­sie van een werke­lijk gevoelde wereld.

(Wim Wen­ders, The log­ic of images, 1988)