Eva Spierenburg: DISAPPEARANCE IN SLOW MOTION (2019) solo exhibition at Centraal Museum Utrecht

Mid­den in de zomer bezocht ik Eva Spieren­burg op haar ate­lier in een oude loods aan de rand van Utrecht. Buiten zon­gen vogels, bin­nen ver­mengde het gefluit zich met een stilte, namelijk het zwi­j­gen van alle losse lichaams­de­len die daar aan touwt­jes hin­gen, op de grond waren uit­gestald, en van een wit hoofd dat niet anders dan zwi­j­gen kon omdat het geen mond had gekregen. 

Ons lieve en lastige lichaam was nadrukke­lijk aan­wezig op die werk­plek van Eva, in de stokken die ze tegen de wand plaat­ste, in de han­den van wit gips, de zwarte voeten van kun­st­stof, in de kleur roze en rood, in de klei, in han­delin­gen en in sporen van han­delin­gen. Het lichaam was er aan­wezig, in stuk­jes maar niet als drek­bun­del, zoals het in de mid­deleeuwen werd genoemd, geen hij­gend, zwe­tend of bloe­dend organ­isme waar ook pus uit kan komen. Meer als ex voto’s, die je naar de kerk kunt bren­gen om een gun­st te vra­gen. Al wordt het lijf gep­re­sen­teerd in losse delen, het bli­jft sereen. Miss­chien is dit ate­lier een plek van genade, al is dat woord te religieus voor de prak­tijk van een heden­daagse kunstenaar.Het lichaam is ons lev­en, ons bestaan. Zon­der lichaam geen gedacht­en, geen visioe­nen, geen reli­gies die het bestaan tra­cht­en te duiden. 

We lev­en in een tijd­perk waarin het lichaam meer dan ooit zegeviert: het is te meten, te onder­zoeken, te repar­eren, ter­wi­jl de onbe­gri­jpelijke ziel uit ons lev­en is weggeglipt. Een hier­na­maals? Ik zie geen lev­en na de dood’, zegt Eva halver­wege ons gesprek. Maar wat dan wel? De dood bezorgt ons angst en paniek, wat dat betre­ft zijn we niet veel verder dan de mid­deleeuw­er die vrees­de dat zijn ziel naar de hel zou gaan. Afbeeldin­gen tonen zie­len als piep­kleine men­sjes in hel en vage­vu­ur waar ze helse pij­nen doorstaan. Maar ook het niets’, in de zin van er is niets na de dood’ maakt bang. 

Hier in het ate­lier van Eva hangt niet alleen de vraag over het lev­en na de dood in de lucht boven alle objecten, maar vooral ook wat de dood betekent voor de lev­en­den. Het besef van eindigheid geeft iedere ervar­ing en han­del­ing in dit lev­en zijn belang. Het gaat over pogin­gen het ongri­jp­bare te duiden en over het mystieke waar­bij de taal van religie soms een prachtig vocab­u­laire biedt. 

Mid­den in dit ate­lier staat een hom­pige iets rechthoekige witte sculp­tu­ur waarop een soe­pele zalm­roze-oran­je zak ligt. De witte buitenkant van die vreemde berg lijkt opge­lapt met stro­ken tape en her en der met een extra laag­je verf. Dat zak­je lijkt wel een uitver­grot­ing van zo’n met laven­del gevuld kussen­t­je dat je op je ogen legt om ze rust te geven. Schim­melplekken mak­en duidelijk dat het ver­val al heeft ingezet. Het is een intrigerend ding dat je niet kunt duiden. Het zou een altaar kun­nen zijn, of een rots­blok, maar dan van piep­schuim. De inspi­ratie komt van een foto die Eva in Chi­na maak­te waar een lang­w­er­pig groen fluwelig kussen op een ste­nen onder­grond ligt, zo lichamelijk, dat je als je door je wim­pers kijkt, een mens ziet rusten.

Dan laat Eva me een foto zien waarop drie weten­schap­pers in witte jassen met plas­tic hand­schoe­nen en mond­kap­jes klaar staan om een bun­del waarin een mum­mie is ver­pakt te gaan onder­zoeken. Het ingepak­te lichaam is eeuwen oud en ook al is al het vlees ver­gaan, het is nog steeds zo menselijk door­dat het skelet in een zit­tende houd­ing is vast­ge­bon­den. Er loopt wat gruis uit de dicht­ge­naaide zak stof op de tafel. Een van de onder­zoek­ers trekt aan een touw om de bun­del tex­tiel te ope­nen. De weten­schap­pers willen er natu­urlijk alles over weten en lat­en er straks hun meest gea­vanceerde tech­nieken op los, maar nu zien we de vreemde abstracte vorm van wat ooit een mens was en de instru­menten waarmee ze hun eerste obser­vaties starten: pincetten, een blaas­balg en een loep­bril.
De Chachapoyas (the raiders of the cloud) in Peru mum­mi­ficeer­den hun overlede­nen en plaat­sten ze op een rots in het regen­woud en dit is dan wat er van een wolken­mens over is, een prachtig intact pakket­je bot­ten (met soms een rij prachtige tanden). De foto impliceert een ont­moet­ing van mensen, van ver­schil­lende peri­o­den en in een ander moment van zijn. Een bots­ing van visies ook. Het is een huiv­er­ing­wekkend beeld. De drie mod­erne onder­zoek­ers willen het lev­en ontrafe­len en zijn geheimen door­gron­den maar wie weet wat ze ontkete­nen door aan dat touw te trekken waarmee ze de bun­del zullen ope­nen.
De gedachte om de ideeën­wereld van de Chachapoyas over het hier­na­maals te respecteren en de mum­mies met rust te lat­en lijkt onbestaanbaar.‘The more you know the far­ther away we are’ klonk de stem van Joan Jonas in haar instal­latie Of the land (2019) en die uit­spraak kleurt voor mij de foto in. We onder­zoeken alles wat er in materie voorhan­den is maar over het werke­lijke raad­sel zwi­j­gen we: wat gebeurt er als een lichaam dood gaat? Reli­gies boden eeuwen­lang hou­vast als een manier om het lev­en uit te leggen. Zo is het in Bhutan nog steeds ver­bo­den om de bergen te betre­den want daar wonen de geesten. En ook al valt dat niet te bewi­jzen, de bergen zijn er nog onaange­tast. Soms is het goed om een raad­sel te accepteren. Zoals de witte berg van Eva Spieren­burg zijn ges­loten­heid etaleert. Een ondoor­gron­delijke witte vorm waarop het kussen­t­je dom­melt. Dat is het, laat hem vooral met rust. Laat de schim­mel zijn gang gaan. 

Er wordt wel eens gefluis­terd dat met de opkomst van vrouwen in de kun­st de auto­bi­ografie meek­wam. Louise Bour­geois hak­te haar frus­traties in steen, tek­ende in ein­de­loze her­halin­gen haar slapeloosheid, ze liet zien dat haar woede over het ver­raad van de vad­er mee­do­gen­loos goede kun­st kan oplev­eren. Miss­chien is het wel haar woede die haar werk zo sym­pa­thiek maakt. Nog steeds worste­len kun­ste­naars met de vraag of die per­soon­lijke ervar­ing hun kun­st niet te klein houdt. Te privé? Te ther­a­peutisch? Toen de moed­er van Eva over­leed zat ze naast haar bed en vol­gde het pro­ces inten­sief. Het moment waarop de laat­ste adem het lichaam ver­laat, dat dan ineens ziel­loos wordt en koud en hoe je ziet dat het lev­en let­ter­lijk het lichaam ver­laat. Hoe er dan een nieuwe toe­s­tand ontstaat, dat vond ik zo ingri­jpend.’ Ze gelooft niet in een lev­en na de dood maar ze maak­te wel con­tact met haar ster­vende moed­er door tegen haar te prat­en. De lucht leek daar­na friss­er, zuiverder. Na de schei­d­ing kon Eva’s moed­er niet voor haar kinderen zor­gen, door haar ziek­te werk­te het lichaam niet echt mee en haar geest was te passief om erte­gen in te gaan. Haar spieren, haar geest, alles leek krachteloos, zoals het kussen­t­je passief boven op de witte berg ligt, alsof de grens tussen lev­en en dood al bij lev­en lijkt te ver­vagen. Als kun­ste­naar voert ze in Recre­at­ing my moth­er, attempt 4 (2015) een rit­ueel uit dat begint met het kleien van een rib. Vol teder­heid boet­seren de vingers een hoofd­je met ver­vol­gens een slan­gachtig lijf, als van een zaad­cel. Ze pakt het kleilichaam op, een afdruk bli­jft achter op het hout. Vol teder­heid wiegen haar han­den het pop­pet­je. Lat­er maakt ze een gat in de buik. Behoedza­am en vol liefde hakt ze het lichaam tenslotte met een klein hamert­je tot brokke­lig gruis​.In een Mari­abeeld zie je soms een klein Chris­tuskind in de holte van haar buik staan, omgeven door stralen. Maria is onze voor­beeld­moed­er, per­fect, net als God en de heili­gen maar de mens is een schep­sel dat alti­jd te kort schi­et. De stralen ont­breken. Recre­at­ing my moth­er door­breekt dat zwart-witte: mijn moed­er, mijn oor­sprong, er is een teko­rt, is er nog liefde? her­s­tel? en kan ik me er van los mak­en? Kun­nen we overleden vaders en moed­ers nog liefde geven, haalt dat iets uit? Na de dood van haar moed­er gaat Eva anders te werk: ze fil­tert de grote thema’s uit haar eigen ervarin­gen, en stapt zelf het werk binnen. 

In een gefilmde per­for­mance zien we Eva’s krachtige ele­gante blote voeten onder een plis­sérok uit­steken. Ze tra­cht zich staande te houden op de top van een berg glib­berige klei. Haar tenen sprei­den zich als de klauwen van een vogel ter­wi­jl de voeten zich wiebe­lig heen en weer ver­plaat­sen. De achter­grond is knal­blauw, zoals de lucht boven de hoog­ste berg in Grieken­land vaak blauw kleurt. Home­rus noemde deze berg het huis van de goden. Zo stellen we ons de goden ook voor, niet in de druipende regen maar heersend onder een blauwe lucht. Ver­heven boven, maar ook in con­tact met het aardse. De Griekse Goden zijn immers ver­baz­ing­wekkend menselijk. Vol­gens hun oude mythen is de wereld ontstaan uit incest, woede en wraak. Uranus at zijn eigen kinderen op. De goden heer­sten als ijdele dic­ta­tors en ver­zon­nen voort­durend lis­ten om hun wellustige zin te kri­j­gen. Een fluïde wereld vol meta­mor­fos­en: een gestor­ven god keert er weer terug als wassend water of als ster aan de hemel. De mens Orpheus keert zelfs terug uit het doden­rijk Hades. Het doden­rijk zelf is stilte en duis­ter­n­is waar de doden schim­men zijn wiens aan­wezigheid je niet kunt zien maar wel voe­len. Veel meer is er niet over bek­end. Is het te veel om die plis­sérok van Eva met Deleuze te verbinden? De Franse filosoof schreef een ver­han­del­ing over de plooi, die hij zag als iets veran­der­lijks, als iets waarin tegen­stellin­gen zich verbinden. De stof die zich naar buiten keert en de stof die zich terugtrekt naar bin­nen: en pre­cies daarin zit dan de zingev­ing ver­bor­gen. Hij noemt het de ruimte van een (her)waardering, die mij zow­el de rad­i­cale eindigheid van mijn mater­iële bestaan duidelijk maakt als de ide­ale oneindigheid van mijn ver­bon­den­heid met de geschiede­nis van de menselijke zingev­ing.’
Als God de vad­er in mid­deleeuwse schilderin­gen uit de hemel neer­daalt zien we soms een stuk­je van zijn man­tel ver­schi­j­nen waar zijn twee voeten onder hangen. Verder komt hij niet. Miss­chien gaan wij mensen lat­er naar Hem in de hemel, maar God komt niet naar de bezoedelde aarde.
In het oeu­vre van Eva gaat het om de tussen­mo­menten, om het onbesliste, of de gebeurte­nis die vast staat maar zich verder kan ontwikke­len, om de uitwissel­ing van de realiteit en alles wat we niet kun­nen duiden. Een gedachte kan zich omk­eren. De plooi die naar bin­nen trekt en naar buiten keert. In haar werk kri­jgt de han­del­ing een steeds grot­er belang. Het aan­rak­en, een verbind­ing mak­en of iets juist kapot mak­en — de han­delin­gen voe­gen zich steeds meer bij de objecten.
In de ten­toon­stelling van Eva hangt een doek met een vage rode vlek, vast­gezet met ste­nen als op een Joodse begraaf­plaats. In de mid­deleeuwen werd de zijde­wond van Chris­tus vereerd: De devote mid­deleeuw­er die deze dubbele lip, ‑de Vul­va Christi,- wist te pen­e­tr­eren, raak­te Het Hart van God.’ Maar zo’n hand die een lichaam bin­nen­dringt heeft ook iets geweld­dadigs. In die rom­melige ver­fvlek ligt de han­del­ing besloten, als ver­wi­jz­ing naar de wond van Chris­tus, een omzetting van een teken­ing in een gebe­den­boek waar­bij de wond eruitzi­et als een prachtige rode vul­va. Een en al kwetsbaarheid.

Aan de muur hangen han­den­schoe­nen van latexrub­ber. Het zijn afgi­et­sels van haar eigen han­den die ze heeft gebruikt om de hand­schoe­nen te mak­en. Aan­rak­en kan de huid doen bran­den, het kan helen, het kan een grens over­schri­j­den zoals blijkt uit de lijst met woor­den die Eva me stu­urt. Woor­den die bij de hand­schoen-han­den horen​.To wear as a sec­ond skin. To wear as my skin. To touch. To stroke (while keep­ing a dis­tance). To cher­ish. To be the per­former. To inves­ti­gate objects To poke into life­less things To poke into hurt­ful things. To be dis­pos­able. Van het een naar het ander, een aan­rak­ing kan ted­er zijn, troos­t­end, sek­sueel of een grens over­schri­j­den. Aan­rak­en kan vol liefde zijn, of een geweld­dadi­ge en trans­gressieve daad. Een gebaar om iets te weten te komen, om iets tot lev­en te bren­gen. Objecten tot lev­en bren­gen, dat is een spe­cialiteit van de kun­ste­naar. De rub­beren blaas­balg van de onder­zoek­ers zou van pas kun­nen komen. Lucht blazen, als ade­men. De onder­zoek­ers lijken lev­en te willen blazen in het defin­i­tief lev­en­loze. Bij een kun­ste­naar is dat anders, die werkt in het tus­sen­ge­bied waar objecten bezield rak­en. Haar adem blaast het stof over de objecten heen, ze brengt ze in slaap, of maakt ze wakker. Ze verbindt de mythen met onze realiteit. Meer dan ooit hebben we de mythen nodig, de duidin­gen, de objecten en rit­ue­len, maar dan wel zoals de kun­ste­naar die biedt, omdat zij de beteke­nis nooit vastzetten. We realis­eren ons Hoe zeer veel stiller dood dan slapen is’ en besef­fen hoo­gu­it dat we niet-weten.