september 2018
Presentatie 'Mar' in het Stedelijk Museum Amsterdam

De wereld is er een vol mis­ver­standen, zo zie ik het. Als mens ben je een wan­de­lend blan­co pro­jec­ti­escherm voor de issues van een ander. Zo werd ik voor huilend slachtof­fer uit­ge­maakt door mijn Servis­che vriendin met raven­zwart haar, na ons verbli­jf in Bel­gra­do, waar nie­mand met me sprak, want west­ers, en zij ook steeds min­der. Slachtof­fers, née daar hield ze niet van, Ned­er­lan­ders waren maar slappe weekdieren. Onlangs had iemand prob­le­men met mijn ruzie-achtig karak­ter, deze iemand had een fobis­che angst voor ruzie en wist het alti­jd net zo te draaien dat ik de kas­tan­jes uit het vuur haalde ter­wi­jl het enge­len­haar om haar heen zwiepte. Nu heb ik zelf een milde angst voor ruzies maar wil er soms best induiken als het nodig is. Ik spu­ug, ik krab, ik tre­it­er het bloed onder je nagels van­daan. Even uit­blazen in de bezemkast.
Wie ben ik dan, los van dat ont­vanke­lijke pro­jec­ti­escherm. Miss­chien het pan­nen­spon­sje. We -mijn fam­i­lie en ik- woon­den nogal boven onze stand, en mijn moed­er lapte het met­al­en pan­nen­spon­sje op met naald en draad, zodat het weer een paar weken langer meeg­ing.
Een daad van liefde, het meest onnozele voor­w­erp is de moeite van het repar­eren waard.
Een daad van extreme zuinigheid, gewoon een fris spon­sje kopen is toch veel hygiënis­ch­er.
Een daad ingegeven door onder­drukking, door die ein­de­loze ruzies over het huishoudgeld. Tussen al die over­weg­in­gen bun­gelt mijn ware ik. Of meer, mijn opgevoede ik.
Soms probeer ik de guru te vol­gen die met omflo­er­ste stem vertelt over de stille plek in jezelf. De blik van zijn donkere ogen is zo vol mede­do­gen; ja dat wil ik ook. Ieder mens is welkom. Al mediterend en observerend zoek ik vele uren lang.

Wie ben ik. Wie is Mar?

Ik denk dat ik het wel had kun­nen vin­den met Mar, de hoofd­per­soon in dit boek. We zien haar ein­de­loos opge­lapte kled­ing, de rook van haar sigaret, het spul­len­feest en de bloe­men in de tuin. Niet iemand die zich aan con­ven­ties houdt. Niet iemand die een geolied huishouden voert, née meer een brod­del per­soon, een hout­je touwt­je huisvrouw. Haar lev­en lang is ze alleen gebleven, ook dat kan ik goed begri­jpen, dan kun je pan­nen­spon­sjes oplap­pen uit eigen vri­je wil. Ik zou Mar een held willen noe­men, juist omdat ze ongetrouwd is gebleven. Stri­jd­lustig ongetrouwd. Maar miss­chien zag ze zichzelf als slachtof­fer van de omstandighe­den. Van de tijd. Wie weet wat ik pro­jecteer op haar? 

Hoe zag een huwelijk er uit in die tij­den? Dien­st­baar vooral dien­st­baar,. Mijn moed­er, arme moed­er, waar was ze aan begonnen? Een kooi waarin ze was opges­loten zoals de parki­et die mijn zus kreeg voor haar ver­jaardag. Ze had een hond gevraagd, iets om te knuffe­len. Die parki­et heb ik een­maal lat­en ontsnap­pen, net voor het ker­st­din­er, de soep was al geserveerd en de parki­et scheerde over de bor­den en landde met zijn poot­jes in de te hete tomaten­soep. We hebben haar weten te van­gen en de poot­jes genazen voor­spoedig. Née, nie­mand kon er om lachen, toen. Maar stel dat ik het samen met mijn zoon had meege­maakt, wat een plezi­er om de ontsnapte parki­et. Alles wat in een kooit­je zat zouden we willen bevrijden.

Haar ongetrouwde lev­en vulde ze met de huishoudens van een ander. Als ruggen­graat van dat gezin. Hal­lo Mar!
En dan dit huis. Een rat­je­toe, een prul­len­boel. Een slod­der­vos? Een oude vrouw met een grote liefde voor spullen of zijn ze gewoon bli­jven slin­geren, als nasleep van achten­zeventig jaar lev­en op deze plek. Alles is mogelijk.
Het boek valt uit elka­ar en we passen het weer in elka­ar. Iedere vol­go­rde is goed. Iedere blik is geldig. (maar graag liefde­vol kijken, zoals de donker­bru­ine ogen van de guru)

Mar. Dap­pere Mar. We lezen de foto’s. Een totaal ver­sleten dweil hangt aan de lijn, niet opge­lapt om de schi­jn te wekken dat het best mee­valt. Gewoon ver­sleten en toch in gebruik. Een foto van de gang, Mar achter de geopende koelka­st­deur. De bloe­men op haar rok rij­men met de bloe­men van de mat op de grond maar je beseft meteen dat het louter toe­val is. De tijd, haar lange lev­en is zicht­baar in die gang, die hoogn­odig gev­erfd moet wor­den, die opgeruimd zou kun­nen wor­den, dat koffieap­pa­raat wordt vast niet meer gebruikt. De verf in die oude pot­jes is waarschi­jn­lijk inge­droogd tot een vaste koek.

Vol­gens kun­ste­naar Mar­cel van Eeden is Niet zijn’ onze ware aard. Dan is ieder lev­en een minus­cu­ul detail in het grote niet zijn’. Dit boek toont het korte moment van het bestaan van Mar. Het lev­en van Mar startte op 15 mei 1915 en eindigde op 16 okto­ber 2017. 102 jaar in totaal. Meer dan een eeuw heeft ze geleefd, 16 ven­sters van de Ned­er­landse canon doorstaan. Ze leefde hon­der jaar geschiede­nis die zich in de kieren van het alledaagse lev­en nestelde. De rokken en jurken van haar moed­er en tantes wer­den nog met de hand genaaid. De thuis­naais­ter. Een Singer, een trap­naaima­chine, een elek­trische. Een ver­stelde rok: zo’n detail, zou moeit­eloos een ver­keerd beeld van haar fam­i­lie geven. Mar kwam uit een welgesteld gezin, geen reden om iets op te lap­pen. Toch werd de stof opnieuw gebruikt door haar te keren, door van een jurk een rokje te mak­en, lap­jes op gat­en genaaid, kled­ing gekoes­terd en in mot­ten­ballen bewaard. Fam­i­li­etra­di­tie. Des­ti­jds werd alles zo onzicht­baar mogelijk gere­pa­reerd, zodat nie­mand de schaamte van het ver­stellen opmerk­te. Zo’n tijd was het. Mar kende geen schaamte. Haar kled­ing kent vele lagen, alle­maal zicht­baar, een lange streep op een rok van ribfluweel, gefe­ston­neerde vierkan­t­jes om gaat­jes te ver­hullen, of gewoon de vlek de vlek lat­en, de rook­gaat­jes als sierele­ment in haar jurk. 

In de gang zien we wel vijf mat­jes, als ver­stel­lap­jes van de vlo­erbe­dekking. Lap­je bij lap­je laag­je bij laag­je, zo draagt de kled­ing het verleden mee. De vlek die vertelt over de oven die ont­plofte toen ze een cake wilde bakken. Gaat­jes van mot­ten kre­gen een wit bloemet­je. Een vlek van de wijn toen ze Sarah vierde en haar arm met een steeds grot­er gebaar de wijn inschonk. De geschiede­nis laat vlekken en gat­en achter. 

Stof­fig betekent: bedekt met stof. Stof duidt dat er jaren zijn ver­streken, tijd heeft zich verza­meld en zicht­baar gemaakt. Hoe lev­endig. Hoe sprek­end. Dit boek is een stof­fig boek. Van lap­jes en draad­jes en bloemet­jes, van licht dat strijkt en dooft. Dit boek fluis­tert in ons oor. We kun­nen het ter­nauw­er­nood ver­staan. Enkel met ont­vanke­lijke ogen kijken naar al het stof. Hal­lo Mar!