Museum Jan Cunen, Oss
2015

KUN­ST IS EEN TROOST (Daan van gold­en)

DESAL­NI­ET­TEMIN , DE LIEFDE (Gijs Assmann)

De drie uur durende film Andrei Rublev (1966) van Tarkosky bevat een aan­tal momenten die voor mij essen­tieel zijn. De hoofd­per­soon in deze film is een vijf­tiende-eeuwse ico­nen­schilder, die we echter niet zien schilderen en die ook vaak niet in beeld is. In de eerste scene volg je een bal­lon­va­art die landt in het Rus­land in de mid­deleeuwen, vol gruwe­len, rit­ue­len, honger en ellende. Aange­tast door het lev­en en daar­door niet meer in staat te schilderen zwerft de schilder Andrei Rublev doel­loos rond. Dan ont­moet hij een kind en bij de aan­blik van deze pure onschuld komt zijn zachtheid en ont­vanke­lijkheid weer naar boven. Naar mijn idee staat het kind voor de liefde en gaat de film over het ver­mo­gen om lief te hebben in een wereld die in brand staat. De film vertelt ook over het belang het ambacht en toewi­jd­ing. De jon­gen die de schilder ont­moet beweert dat hij een klok kan gieten. Bouw­ers van een kerk vertrouwen er op dat de jon­gen de klok kan gieten van­wege het geheime maakpro­ces dat hij van zijn vad­er heeft meegekre­gen. Maar is dat zo? Tij­dens het maakpro­ces moet de jon­gen steeds weer terug­vallen op het geloof in zichzelf om zo zijn taak voor de gemeen­schap te kun­nen vol­bren­gen.
De film is een ervar­ing waarin je je onder­dom­pelt in het visuele ver­haal vol stilte en raad­sels. In cin­e­ma it is nec­es­sary not to explain, but to act upon the viewer’s feel­ings, and the emo­tion which is awok­en is what pro­vokes thought,’ schreef Tarkovsky in 1962.

Het menselijk tekort

De par­al­lel met het heden dringt zich op: ook op dit moment staat de wereld op vele plekken in brand, wreed­he­den als in de film van Tarkovsky vin­den dagelijks plaats. Ned­er­land is nog steeds een vreedzame plek, maar als ik om me heen kijk lijkt het of de mens niet in staat is om het geluk vast te houden, het goede lijkt hem voort­durend weer uit han­den te glip­pen, ondanks ieders ver­lan­gen naar geluk, accep­tatie en liefde. De vraag Hoe kun­nen we lev­en?’ staat cen­traal in mijn werk. De urgen­tie van mijn werk ligt in het tegen­wicht dat ik wil bieden aan de mens in al z’n onmacht en onhandigheid. Dit menselijk teko­rt staat cen­traal in mijn werk: een onnozel man­net­je zon­der armen en benen dat als een hulpeloze tuime­laar met een kokos­noten­s­noet ons bedrem­meld aankijkt: ja wat nu? Wraakveulen met maar één sti­jg­beugel en dikke zachte oogk­lep­pen op kan hoo­gu­it een slag in de lucht slaan. De wraak lost op. Het is luimig en aan­doen­lijk. Door humor te gebruiken probeer ik ieder met zachtheid naar zijn eigen falen en teko­rten te lat­en kijken.

Desalniettemin, de liefde

Op de Rijk­sacad­e­mie maak­te ik mijn eerste van­i­tas­beeld als ver­jaardagscadeau voor mijn beste vriend Stephan. In dit werk probeerde ik de moeil­ijk te ver­wo­or­den gevoe­lens die bij vriend­schap horen bijeen te bren­gen. Enerz­i­jds vor­mde het beeld een visuele liefdes­be­tuig­ing (een emotie die je als vrien­den onder elka­ar zelden uit­spreekt) maar tegelijk­er­ti­jd ook een getu­ige­nis van het feit dat ik hem bij tijd en wijle een geweldige last­pak vind. Het beeld bracht deze moeil­ijk uit te spreken emoties en tegen­stri­jdighe­den — die een per­soon tot een com­pleet mens mak­en — samen.Een van­i­tas­beeld vormt zo een herin­ner­ing die wat mij betre­ft lijkt op het moment dat Andrei Rublev deed ont­dooien bij het kind, het moment dat hem weer een com­pleet mens maak­te. De serie van­i­tas­beelden vormt een con­tante in mijn oeu­vre. Tegen­over het gevoel van machteloosheid dat het leed van de wereld bij mij veroorza­akt, ver­vaardig ik deze per­soon­lijke mon­u­menten. Ik tra­cht met deze beelden de mens weer te geven in al z’n aspecten. De van­i­tas­beelden lat­en ook zien dat het onmo­gelijke begrip liefde voor mij een brede en exis­ten­tiële strekking heeft. Het soort liefde dat je ook kunt hebben voor een col­le­ga, buur, mede­mens. Hoe zeer het woord liefde ook vervuild is ger­aakt, het biedt in mijn werk en in deze ten­toon­stelling tegen­wicht aan wan­hoop, desin­ter­esse en haat.

Een tentoonstelling als een processie

In Muse­um Jan Cunen in Oss staat het idee van de pro­cessie cen­traal: soms door de beelden in de vorm van een optocht op te stellen, door de tekenin­gen aan de muren de lij­nen van de pro­cessie te lat­en vol­gen en door vaan­dels op te stellen. Als kijk­er loop je als vanzelf mee in deze rondgang van beelden. De bezoek­er wordt zo deel­ne­mer en toeschouw­er tegelijk. De archi­tec­tu­ur van het muse­um helpt daar­bij. Het muse­um heeft nog steeds de con­touren van een woon­huis. De ten­toon­stellingsruimten zien er uit als huiskamers en hebben een huiselijke atmos­feer en een menselijke maat.Geen mens kan zon­der sym­bol­en. Sym­bol­en bren­gen struc­tu­ur in hoe wij onszelf en de werke­lijkheid ervaren. Voor een samen­lev­ing is het niet anders. Iedere cul­tu­ur”, schreef de antropoloog Claude Lévi-Strauss, is een geheel van sym­bol­is­che sys­te­men, waar­bij de taal, het huwelijk, de economis­che betrekkin­gen, kun­st, weten­schap en religie de voor­naam­ste plaats innemen.” Die sym­bol­is­che sys­te­men orde­nen ons gevoel­sleven, com­primeren wat voor ons com­plex en extreem is, vor­men een brug tussen het per­soon­lijke en het sociale, het bewuste en het onbe­wuste, het alledaagse en het onbe­vat­telijke. Een sym­bool kan vereni­gen, troost­en en sterken. Het kan ons ook op volle kracht rak­en in het hart van onze ver­beeld­ingswereld” schreef Anna Tilroe in NRC Han­dels­blad in 2004. Zij riep kun­ste­naars op om nieuwe sym­bol­en te mak­en, waardi­ge sym­bol­en zon­der zoet­sap­pig karak­ter. Haar oproep viel bij veel kun­ste­naars ver­keerd, maar niet bij mij. Ik zie voor mijzelf een mogelijkheid werk te mak­en dat zich ver­houdt met het lev­en en zich zo verbindt met de wereld. Tilroe: Miss­chien trekt het de kun­st over haar zelf opgelegde gren­zen heen, recht in het hart van onze samen­lev­ing. Want we snakken naar sym­bol­en die authen­tiek, betekenisvol en bezie­lend zijn.”Recent voor­beeld hier­van in mijn werk is Ode aan Man­dela (I). Dit beeld toont een lichaam dat is opge­bouwd uit een samenges­molten man­nelijk en een vrouwelijk tor­so. De twee lichamen moeten de indruk wekken op een natu­urlijke manier één nieuw lichaam te hebben gevor­md. Slechts in ver­bon­den­heid met de ander zijn wij in staat het ware geluk te vin­den, met alle teko­rtkomin­gen. Een nieuwe figu­ur com­pleet en vol mede­do­gen. Dit beeld vormt de basis voor een serie van vier nieuwe beelden die in Desal­ni­et­temin, de liefde gep­re­sen­teerd wor­den. Ze proberen het ver­lan­gen naar geluk op een zin­nelijke, fysiek ervaar­bare manier te tonen door deze ver­bon­den­heid in een innige ver­stren­geling op een luchtige en liefde­volle manier te tonen. Als teken van hoop. De werken zullen getoond wor­den op rij­dende beeld­houw­bokken. De ver­plaats­baarheid ref­er­eert naar zow­el het ontstaanspro­ces als naar de mogelijkheid de beelden in pro­cessie te ver­plaat­sen. Ik wil een een zoek­tocht starten naar wat ons bindt. Dat is waar de pro­cessie naar toe gaat, naar liefde troost en verbintenis.Zo zou ik de pro­cessie door het muse­um willen lat­en eindi­gen met een sym­bool voor hoop. Met hoop.