Museum solo at Centraal Museum Utrecht, The Netherlands, 2021

De ziel is meer aan­wezig dan we denken

Lat­en we met het groot­ste begin­nen, het hee­lal, de kos­mos, dat onbe­vat­telijke. Een foto van de Hub­ble ruimtete­le­scoop toont ons een diepzwart vlak met oneindig veel oplich­t­ende stip­pen en ellipsen dat zich vol­gens de weten­schap aan alle kan­ten uit­brei­dt. Onbe­grensd. Ieder ellipsvormig pun­t­je is een afzon­der­lijk ster­ren­s­telsel met elk cir­ca 100 mil­jard ster­ren. Dat kun­nen we zien, dankz­ij de tele­scoop, we kun­nen het geloven, maar werke­lijk begri­jpen is onmo­gelijk.
Zo kan ik met mijn ogen dicht in veel meer geloven dan met mijn ogen open, want als mijn ogen waarne­men, reg­istr­eren ze enkel de din­gen die licht weerkaat­sen, het heeft mas­sa en neemt ruimte in. Materie.
Met mijn ogen dicht kan ik me voorstellen dat de ziel van Ana Mendi­eta na 35 jaar een plek heeft gevon­den in het lichaam van kun­ste­naar Natalia Ossef.
Volledig bedekt met bru­ine mod­der, de armen in een knik geheven, staat Mendi­eta doo­d­stil tegen een boom. Het gras kruipt met losse spri­et­jes vanaf de grond via haar lichaam omhoog. Tree of Life, als een aardse godin is ze het mid­delpunt van de aarde, waar­bij het onder­scheid tussen mens en boom is opge­heven. Haar wezen is aarde, gras en boom. (1)

Natalia Ossef (1983) en Ana Mendi­eta (1948). Twee zoek­ende zie­len. Bei­den groei­den op ver weg van hun geboorte­land en juist die aarde, moed­er aarde, bleek de kern van wie en wat ze zijn. Bei­den waren op zoek naar iets dieps, iets wat ons als mens bepaalt, de ziel (of dat wat mogelijk de ziel heet).
Mendi­eta werd als twaalf­jarige in Cuba op trans­port naar Ameri­ka gezet waar ze opgroei­de zon­der haar oud­ers. Haar werk bleef lang onbe­grepen, alsof de wereld er nog niet klaar voor was.
Natalia Ossef kwam met haar oud­ers op vier­jarige leefti­jd vanu­it Syrië naar Ned­er­land, vanu­it El Kamech­li om pre­cies te zijn. Haar oud­ers zijn ortho­dox-chris­telijk en spreken Aramees, een oude taal die dreigt uit te ster­ven omdat de min­der­he­den die haar spreken ged­won­gen in dias­po­ra lev­en. Syrië, dat won­der­mooie land met haar rijke verleden: arche­olo­gen hebben aange­toond dat de beschav­ing van Syrië de oud­ste van de wereld is. Het land was onderdeel van wat wel de vrucht­bare sikkel werd genoemd en de neolithis­che cul­tu­ur gaat terug tot 10.000 voor Chris­tus.
Waar kom je van­daan?’ is meestal de eerste vraag die Ossef kri­jgt. Tien jaar gele­den kon je gerust zeggen dat je uit Syrië kwam, mensen waren open en nieuws­gierig maar nu is alles gek­leurd door de oor­log.’
Mensen komen haar tege­moet met een reeks veron­der­stellin­gen, en dat gaat veel verder dan de burg­eroor­log. Miss­chien speelt de voorin­genomen blik nog mee die Edward Said in 1978 beschreef in zijn boek Ori­en­tal­isme. Vol­gens hem ligt in de blik van Europa het west­ers supe­ri­or­iteits­gevoel besloten, een blik die ook door de kun­st werd gevoed met beelden van het Mid­den-Oost­en als een sen­suele, exo­tis­che wereld vol wulpse naak­ten, lief­st in een harem. Oriën­tal­is­ten stelden de islami­tis­che cul­tu­ur als sta­tisch voor, als eeuwig, uni­form en niet in staat zichzelf te definiëren’, waar­door het West­en vanzelf dynamisch, inno­vatief en onderne­mend was.’ (2) En daar komt de actu­aliteit van de oor­log nog eens bovenop.

Waar kom je van­daan? Klop­pende en niet klop­pende beelden buite­len over elka­ar heen: Syrisch, Aramees, islami­tisch, chris­telijk, ongelovig, zwart haar en bru­ine ogen, vrouw, kun­ste­naar? Of zijn dit opper­vlakkige labels en moet je om de essen­tie te vin­den een heel ander pad bewandelen?

De intense, sobere, zwart-wit schilder­i­jen uit haar begin­ti­jd baseerde Ossef op found footage
of familiefoto’s. Wat ik inter­es­sant vind aan deze foto’s is dat ze een bepaalde herken­baarheid hebben. Ze zijn open in hun beteke­nis. Ze kun­nen ver­wi­jzen naar mijn eigen verleden of naar dat van de toeschouw­er.’ Ze had er suc­ces mee, en haar cv vulde zich met ten­toon­stellin­gen en pri­jzen.
Maar die open beteke­nis bleek na ver­loop van tijd te vri­jbli­jvend, want als iedereen zich
erin kan herken­nen, wat bli­jft er dan aan waarde over? Tegelijk­er­ti­jd kon ze de spa­gaat waarin ze leefde – die kloof tussen de bin­nen­wereld van het fam­i­lieleven met haar eigen taal, geloof en rit­ue­len en de buiten­wereld – niet langer negeren. Ik kon er niet om heen. Om te weten wie ik ben en wat iden­titeit is, moest ik gaan graven in het verleden.’ Wat is de beteke­nis van dit bestaan, zo ver weg van haar geboorte­grond en in de totale ver­getel­heid van de oude cul­turen die ons daar voorgingen.

Om dat te ontrafe­len vertrok ze naar Antwer­pen om een mas­ter te vol­gen. Het bracht haar een ken­nis­mak­ing met aller­hande werken van vrouwelijke kun­ste­naars en zow­el de herken­ning als de rad­i­cale aan­pak waren een ver­adem­ing. Neem Semi­otics of the kitchen (1975) van Martha Rosler. In een kleine keuken pre­sen­teert Rosler met priemende gebaren het kookgerei in de vol­go­rde van het alfa­bet. Apron! Bowl! Chop­per! Dish! Ver­beten gooit ze de denkbeeldige jus weg die ze met een lep­el opschept, dreigend steekt ze het keuken­mes richt­ing toeschouw­er. Al haar woede en frus­tratie over restric­ties van vrouwen uit ze in de scherpte van haar gebaren. De laat­ste drie let­ters ver­beeldt Rosler met haar lichaam waar­bij ze om de let­ter Y te duiden haar armen in de lucht gooit tot een wan­hopig Why. I was con­cerned with some­thing like the notion of lan­guage speak­ing the sub­ject’, and with the trans­for­ma­tion of the woman her­self into a sign in a sys­tem of signs that rep­re­sent a sys­tem of food pro­duc­tion, a sys­tem of har­nessed sub­jec­tiv­i­ty.’ (3)
Miss­chien waren de schilder­i­jen ook niet echt’ genoeg, niet genoeg onderdeel van de wereld. Zou de han­del­ing van het creëren ook direct kun­nen spreken? Zodat de beteke­nis er als het ware uitrolt?
Als eerste mak­en de han­den zich als zelf­s­tandi­ge tekens los van de voorstelling. Han­den reiken, omar­men, groeten, ver­lan­gen. Kun­nen de han­delin­gen die vanu­it archieffoto’s in haar schilder­i­jen waren beland, miss­chien ver­taald wor­den naar echte gebaren? Het doen is immers een dimen­sie die vooraf­gaat aan de taal en overtre­ft het zeggen in direc­theid. Een gebaar kan moeil­ijk veinzen.

In het oost­en wor­den mudra’s – een bepaalde posi­tie van de han­den of houd­ing van het lichaam – al duizen­den jaren gebruikt in dans en rit­ue­len. Een mudra stemt de energie­stromen van het lichaam af op de uni­verse­le, kos­mis­che energie. Ieder gebaar heeft een eigen beteke­nis, het sim­pele vouwen van de han­den als een begroet­ings­ge­baar (namas­té) brengt de aan­dacht naar bin­nen en opent het hart. Ook het in elka­ar vouwen van de han­den in een chris­telijk gebed zou je als een mudra kun­nen opvat­ten. Soms houden mensen hun han­den voor hun ogen om de con­cen­tratie te ver­groten, naar bin­nen te keren.
Of waren het de woor­den van schri­jf­ster Vir­ginia Woolf die haar verder bracht­en? Eigen­lijk denk ik wel eens dat alleen een auto­bi­ografie ware lit­er­atu­ur is – romans vor­men slechts de schil die, een­maal afge­peld, zicht biedt op de kern: jij of ik.’ In de roman To the Light­house zijn bin­nen en buiten simul­taan aan­wezig, het boek gaat wel óver de wereld maar vervloeit er tegelijk­er­ti­jd mee. Dialoog en gedacht­en lopen onge­merkt in elka­ar over.

In de serie Be my Con­tem­po­rary nemen de han­den de hoof­drol: ze omar­men een gezicht, wiegen een hoofd, ope­nen, ver­ber­gen, wegen en duiden. Ossef bedekt haar gezicht met haar han­den die vanu­it een wit jas­je uit zwarte mouwen steken. Haar vingers lat­en zich lezen als een detail van de maan met kleine vijvert­jes van huid op de koot­jes en onder de nagels. Bird Face heet de mys­terieuze zwart-wit foto die tot je spreekt zon­der woor­den en zon­der zicht. Vogels kun­nen dankz­ij kegelt­jes die gevoelig zijn voor ultra­vi­o­let licht bijvoor­beeld de urine­s­poren van muizen zien, of ze zien kleurver­schillen waar wij enkel zwart zien. Ze beleven de wereld anders dan wij. Toch zouden wij het veld van waarne­men kun­nen uit­brei­den, door meer alert te zijn op onzicht­bare energieën. De liefde die in je hart kan opwellen is zo’n energie, of de onheil­spel­lende vibraties die je kunt voe­len in een ruimte waar kort daar­voor een ruzie werd uit­ge­vocht­en. Haar foto met de han­den voor het gezicht bereikt je zon­der stem of ogen te gebruiken.

Beangsti­gend, maar Natalia Ossef moest een nieuw begin mak­en en miss­chien wel zo rad­i­caal als John Baldessari’, zegt ze lachend. Wat ze leerde van die imponerende Amerikaan was om haar angst los te lat­en. In 1970 was Baldessari zo ontevre­den over zijn semi-abstracte schilder­w­erk dat hij besloot om al zijn schilder­i­jen naar het cre­ma­to­ri­um te bren­gen om ze te lat­en ver­bran­den. It was a very pub­lic and sym­bol­ic act,” he said, like announc­ing you’re going on a diet in order to stick to it.’ (4)
Natalia Ossef start een zoek­tocht naar haar afkomst, en haar fam­i­lieli­jn gidst haar terug naar Syrië, diep de geschiede­nis in naar de oud­ste beschavin­gen van de wereld en dat bracht haar weer dicht bij zichzelf.
Al was ik pas vier jaar toen we ons land ver­li­eten, mijn wezen is ver­bon­den met de aarde daar en mijn lichaam voelt de verni­etig­ing. De oor­log lijkt ingezet te zijn om de heilige ste­den in Syrië, de oer­grond, waar de vrouwelijke energie rond­waart – de godin­nen-energie – kapot te mak­en en het con­tact met de heilige grond te ver­breken.’
Geschiede­nis is een open vorm, als een amfoor, de één gooit er teer in, de ander rozeno­lie. Het lastige is dat je er als mens dagelijks mee wordt inges­meerd, door oud­ers, boeken, ver­halen, alti­jd dat ene gezicht­spunt. Je weet niet beter. De geschreven geschiede­nis is een con­tain­er die iedere keer wordt opge­vuld vanu­it een bepaald per­spec­tief. Geschiede­nis kan ons leren al die per­spec­tieven te herken­nen en open te breken: Vrouwen in de jaren 70 wilden de troe­bele ver­nis van de man­nen­maatschap­pij weg­po­et­sen en kwa­men met bril­jante en rad­i­cale acties. VALIE EXPORT (een kun­ste­naar trans­porteert immers ideeën) liep in een broek met een open kruis een bioscoop bin­nen en hing haar foto in de pub­lieke ruimte. (5) Bepaalt de sekse werke­lijk al die ver­schillen? Het rad­i­cale van EXPORT geeft Ossef moed.
Op zoek naar de essen­tie dook Ossef niet alleen het verleden in door sym­bol­isch naar haar geboorte­grond te reizen, maar ook zocht ze naar een nulpunt om een nieuwe start te mak­en, en dat begin­punt kon alleen haar eigen lichaam zijn. Het lichaam dat zo con­creet aan­wezig is als omhulsel dat gedacht­en, bot­ten, orga­nen en indrukken bij elka­ar houdt, maar hoe gri­jpen al die impulsen in elka­ar?

In maart 2020 vertrok ze naar een res­i­den­cy in Zuid Span­je, een geï­soleerde plek waar het inter­net nauwelijks bereik had en enkel vrouwen bijeen waren. De grond was er droog en woesti­j­nachtig. Ron­dom groei­den Alep­po pines, die alti­jd groene conifer­en met hun zachte, geel­groene naalden, die daar eeuwen terug zijn geplant. Te mid­den van niets anders dan het ruisen van de naalden en de trilling in de lucht klonk de stilte er vol. Zo had ze nog niet eerder naar de stilte geluis­terd. De energie zin­derde en tilde haar op alsof ze gedra­gen werd.
Han­delin­gen komen er tot lev­en: twee krachtige, fiere vrouwen staan rech­top tegen­over elka­ar ter­wi­jl ze ieder een halve bol van klei, ver­bon­den door een touw, tegen hun navel houden. Ze kijken elka­ar in de ogen maar de energie cirkelt ook rond via de ver­bon­den halve bollen. De maagstreek is immers het gebied waar de emoties samenkomen en vert­eren. (6) Op de achter­grond teke­nen de bergen zich af als borsten. (7)
Wij zijn zelf ook replica’s van moed­er aarde’, zegt Ossef tegen me.

Wij zijn één met de aarde, dat is mijn ware iden­titeit en mijn wens is om dat let­ter­lijk weer terug te halen. Al het andere is een label, iedere aan­duid­ing laat de werke­lijkheid krimpen als een dwang­buis.’
In de teken­ing Pri­mal Images 7 komen drie ronde vor­men tevoorschi­jn vanu­it een zwarte, waterige achter­grond: gedachte­bubbels of objecten mak­en zich los van de drab­bige geschiede­nis en wor­den helder.

Na de res­i­den­cy klapt haar lev­en om. Haar zielsver­want Wouter besluit dat zijn bestaan op aarde lang genoeg heeft gedu­urd. Na een spir­ituele belev­ing, die weg had van een bij­na-doo­d­er­var­ing, leek het alsof zijn geest te groots was om terug te keren in de beperk­te vorm van het lichaam. De stilte is dit keer vol kabaal.
Ratio­nalis­eren helpt voor geen meter. Hoe kun je dat wat te smartelijk en te zwaar is om te dra­gen toch meen­e­men? Alles wat ik wist – niets was meer het­zelfde.’ Het ver­lies haakt aan bij die vraag naar de essen­tie van haar wezen en ze merkt dat ze buiten het bek­ende om in con­nec­tie met hem bli­jft, een diepe ver­bon­den­heid, het besef dat de ziel oneindig is, want ik voelde hem, ik had veel dromen waarin hij terugk­wam alsof hij wilde zeggen: er is iets onmetelijk groots, zak niet weg, ga door, ga door.’
De ziel is meer aan­wezig dan we denken. We geloven tegen­wo­ordig in de weten­schap, in zien en meten, maar dat sluit zo veel buiten.’

And I don’t believe in the exis­tence of angels
But look­ing at you I won­der if that’s true
But if I did I would sum­mon them togeth­er
And ask them to watch over you
To each burn a can­dle for you
To make bright and clear your path
And to walk, like Christ, in grace and love
And guide you into my arms (Nick Cave)

Ik wist niet meer waar ik was en belandde tussen hemel en aarde. Zo zweven ook de transparante jurken in mijn exposi­tie, alsof ik mezelf daar een plaats geef’: Car­ry me along, the Domain of Inti­ma­cy.
De jurken dra­gen pre­cieze uit­sprak­en over het lichaam, de reik­wi­jdte van zin­tu­igen, de ver­bon­den­heid van alles. Ze belichamen het fluïde bin­nen en buiten van Vir­ginia Woolf, waar dialoog en gedacht­en in elka­ar over­lopen. Ik hoop dat er zo een door­gaande uitwissel­ing kan ontstaan tussen de kijk­er en de jurken die de kun­ste­naar rep­re­sen­teren’, zegt Ossef.
Er kan ook zwaarte zijn in lichtheid, zoals de over­weg­in­gen op die ijle jurken: As though I were hear­ing some mag­ic for­mu­la uttered in a for­eign tongue. Al lezend zweven we mee, al denk­end zweven we verder. (7)

Wij zijn replica’s van moed­er aarde’, zegt Ossef, en het klinkt als een zachte echo van gedacht­en van Ana Mendi­eta:
I am over­whelmed by the feel­ing of hav­ing been cast from the womb (nature). My art is the way I re-esth­ablish the bonds that unite me to the uni­verse, an omnipresent female force. The after­im­age of being encom­passed with­in the womb, is a man­i­fes­ta­tion of my thirst for being. It is a return to the mater­nal source.’
Op een foto koestert Ossef een roodgev­erfde, ronde vorm van gips die een baar­moed­er zou kun­nen zijn. Bin­nen of buiten het lichaam, het maakt niet uit. Op de teken­ing Pri­mal Images 6 omarmt een per­soon weer zo’n ronde, rode vorm, miss­chien zijn buik, miss­chien een kind of een baar­moed­er?
De mens komt voort uit moed­er aarde en daarmee is de aarde te zien als een prachtige, immense ronde baar­moed­er. Wij zijn uit de aarde voort­gekomen, of zoals Mendi­eta het zegt: cast from the womb, from nature’. Bei­den zien zich onderdeel van de cyclus van het ontstaan: aarde, lev­en, aarde en dat zal door­gaan en door­gaan.

Tablet­ten van klei op een prachtig geschu­urde drager hangen tegen een zwarte muur, ze komen tevoorschi­jn uit een oer­soep. Oude sym­bol­en kri­j­gen weer nieuwe vor­men: een schild, een oer­moed­er, een kos­misch teken, vrucht­baarhei­dssym­bol­en. Eén tablet lijkt afgeleid van een oude afbeeld­ing van de moed­er­godin, een ander lijkt op een vrouwelijk ges­lachts­deel. Toen en nu en straks.
Ik voel me nu niet meer zo een­za­am omdat ik meer in con­tact ben met mijn eigen ziel, met zie­len om me heen, nu ik me heb opengesteld voor wat zich buiten het fysieke om man­i­fes­teert. Als een jurk die soe­pel draagt of valt is het sys­teem waarin ik leef mee gaan bewe­gen. Zin­tu­igen ont­wak­en, soms komen stem­men op, mijn intuïtie ver­scherpt. Een onzicht­bare, oneindi­ge stroom is op gang gekomen.’

My art is ground­ed in the belief of one uni­ver­sal ener­gy which runs through every­thing: from insect to man, from man to spec­tre, from spec­tre to plant, from plant to galaxy. My works are the irri­ga­tion veins of the uni­ver­sal flu­id. Through them ascend the ances­tral sap, the orig­i­nal beliefs. The pri­mor­dial accu­mu­la­tions, the uncon­scious thoughts that ani­mate the world.
There is no orig­i­nal past to redeem: there is the void, the orphan­hood, the unbap­tized earth of begin­ning, the time that from with­in the earth looks upon us. There is above all the search for ori­gin.’ (Ana Mendi­eta in 1983)

Natalia Ossef krabt de aarde weg, ze maakt ruimte voor haar lichaam. Ze drukt zich op die plek tegen de grote rot­sige wand. Ze gaat op de grond liggen, bedekt of onbe­dekt met aarde, alti­jd een volkomen een­heid. Vanu­it de aarde reik­end naar de ruimte.