Pedro Bakker, Innocent
mei 2016
Pedro Bakker, L'Éternel Retour 6, Ma Mère

Deel 1: De moeder. L'éternel retour 2010-2011

Aan de link­erkant, aan de rand van de teken­ing, staat een vrouw, het zwarte haar mooi gekruld, haar lange dunne zwarte arm met een gri­jze hand hangt naar bene­den, ze draagt een rode jurk met dec­o­ratieve bloe­men, heeft oplich­t­ende blauwe ogen en een mond die vele uit­drukkin­gen tegelijk draagt. Ze verd­wi­jnt bij­na in de overvloed aan dec­o­ratie, zoals Gus­tave Klimt zijn vrouwen liet opgaan in de patro­nen op de achter­grond, vrouwen van gegoede stand, mooi maar ook leeg ondanks de volle patro­nen. Hier niet. Deze vrouw, haar ogen, haar mond. En pre­cies daar stopt de beschri­jv­ing bin­nen alles wat zo helder is op de teken­ing. Miss­chien is er sprake van angst of huiver, blossen of schaam­rood, ver​wezen​.In het cen­trum van de teken­ing steekt een kat zijn kop­je tussen de kier van de iets geopende deuren. Met schele groene ogen kijkt hij naar de moed­er, een lieve zwarte kat. 

Afra heet ze, de moed­er, ze heeft de naam van een heilige, de naam van een vrouw die samen met haar moed­er een bor­deel hield tot ze zich bekeerde tot het Chris­ten­dom en uitein­delijk een marte­laars­dood stierf, bescher­mheilige van boet­vaardi­ge vrouwen en arme ver­doemde zie­len. De naam werpt een schaduw vooruit op wat komen gaat. 

Daar staat Afra in een rode jurk met gestileerde bloemen. 

In de hele serie L’éternel retour heb ik me vooral in de details door de fig­u­ratie van Hen­ry Darg­er lat­en inspir­eren. Ik bewon­der hoe Darg­er bloe­men tekent, het zijn vreemde bloe­men en dat vreemde had ik nodig voor die jurk.’ zegt Pedro Bakker.
Op een tafelt­je rechts onder ligt een iden­titeit­skaart met een foto van Afra waar ruiten doorheen zijn getek­end en het beroep van dien­st­bode is doorgekrast. Waarom, vraag ik Pedro. Mijn moed­er twi­jfelde alti­jd, over zichzelf, over wie ze eigen­lijk was, en daarom heb ik haar beroep opge­heven. Haar wezen was even ongri­jp­baar als Darg­er die geen kun­ste­naar was maar wel de nacht­en vulde met teke­nen.’
Haar jurk is rood en steekt fel af tegen de onschuldige patro­nen op de achter­grond. Rood is de kleur van het lev­en, van bloed en het vuur, van hart­stocht die snel kan omslaan in woede. En die kat, vraag ik. Kleine Joe, onze kat was al langer dan een jaar spoor­loos, zomaar verd­we­nen. Miss­chien dood. De deur staat op een kier want soms leek mijn moed­er in gesprekken’ iets te willen zeggen, de drang om te prat­en was groot maar er kwam geen woord uit. Ze was net zo ges­loten als Darg­er, want die sprak alleen over het weer. Bei­den zijn gedoo­d­verfde outsiders.’

Darger

Hen­ry Darg­er (18921973) was een een­zame man die een onop­val­lend en teruggetrokken lev­en lei­d­de. Hij werk­te als con­ciërge of als afwass­er maar zijn echte lev­en speelde zich af in de nacht als hij zijn eigen uni­ver­sum tek­ende en daar­bij ver­halen schreef die bek­end zijn gewor­den onder de titel The Realms of the Unre­al. Niet dat hij een vir­tuoos teke­naar was maar met foto’s en gevon­den beelden uit kran­ten en tijd­schriften realiseerde hij mon­u­men­tale intense tekenin­gen die een groots episch ver­haal vertellen van een aan­tal Chris­telijke meis­jes (The Vivian Girls) die in opstand komen tegen hun lot en de stri­jd aan­gaan met de slav­ernij van kinderen. Het project begon met een fotoot­je dat Darg­er uit de krant knipte van het drie­jarige blonde meis­je Elsie Paroubek dat was verd­we­nen en een maand lat­er dood werd teruggevon­den. We weten niet pre­cies wat Darg­er fasci­neerde in dit portret­je maar wel dat hij het fotoot­je kwi­jt raak­te en het beeld niet meer kon loslat­en. Hij begon te teke­nen en gaf Elsie een heroïsche rol in zijn verhaal. 

De oor­log tegen het god­de­loze Glan­delini­ans régime wordt zijn lev­enswerk. De blonde meis­jes zijn de heldin­nen maar wor­den ook gemarteld, gekruisigd, gewurgd of tot slaven gemaakt. Dat lijkt een bizarre fan­tasiew­ereld die ontstaan is in een zieke geest maar het is reëel om je af te vra­gen of dat werke­lijk zo is. De kran­ten­stukken die Darg­er bewaarde en aan de muur prik­te lat­en zien hoe dicht zijn ver­zon­nen wereld op de werke­lijkheid zit zoals het ook raakt aan zijn eigen jeugd: de gruwelijkhe­den die hij als kind door­maak­te hebben zijn wezen door­drenkt met hor­ror en zijn ziel onher­stel­baar beschadigd. Voor de kijk­er lijkt het sim­pel­er om deze fan­tasieën als vreemde hal­lu­ci­naties van de kun­ste­naar te zien dan de rauwe ver­bon­den­heid met de werke­lijkheid te erken­nen. Maar is het niet de prak­tijk van alledag, ergens op deze wereld, iedere dag weer? Charles Rus­sell stelt in het boek Ground­wa­ters de vraag: Which side are you on, Hen­ry?’ Ja, ben je voor of tegen, Hen­ry, graag duidelijkheid, goed of kwaad? Maar een een­duidi­ge werke­lijkheid bestaat niet en zo wis­selde Hen­ry Darg­er het brute geweld af met pas­torale scènes. Zijn werk is weer­barstig, alti­jd lav­erend tussen schuld en onschuld, goed en kwaad, waanzin en rede. In de tekenin­gen van Darg­er zag Pedro Bakker een mogelijkheid om zijn eigen geschiede­nis te teke­nen, want hoe teken je eigen­lijk een wurg­ing, hoe teken je meer dan het ver­haal? Darg­er gaf hem de mogelijkheid om zijn geschiede­nis te vertellen in scenes, in zow­el fan­tasie als realiteit, meer of min­der direct, en alti­jd met onge­makke­lijke details.

Pedro Bakker, L’éternel retour 4 / Ma Mère et Georges B. (1943), 2011

Daar­naast was er dus Bataille die zijn boek Guilty als vol­gt begint: The date I start (sept. 5 1939 ) is no coin­ci­dence’. Zon­der verdere uit­leg noemt Bataille deze datum, want zo schri­jft hij, het is onmo­gelijk om deze datum en ver­wi­jz­ing niet te noe­men, de dag dat Duit­s­land Polen bin­nen­viel. Pedro Bakker maakt tekenin­gen over zijn moed­er, over het dra­ma dat in zijn jeugd plaatsvond, omdat het onmo­gelijk is om het daar niet over te hebben. Eerder deed hij pogin­gen om zijn fam­i­lie te portret­teren in oliev­erf maar nu ges­te­und door Darg­er en Bataille luk­te het Bakker beter om zijn kwets­bare geschiede­nis op grote vellen papi­er uiteen te zetten en haar aan de buiten­wereld te tonen als een gebeurte­nis zon­der oordeel.’ Dat getu­igt van moed want de ander staat snel klaar met een mening, over zijn moed­er, over zijn manier van teke­nen, over het onder­w­erp dat som­mi­gen miss­chien te nar­ratief of te per­soon­lijk vin­den. Hij wordt een out­sider genoemd maar waarom is niet duidelijk. Pedro Bakker is eerder een man die voor de troepen uit loopt, die zijn per­soon­lijke ver­halen schilderde toen dat nog niet geac­cepteerd was in de kunst­wereld. Daar heerst een angst voor het auto­bi­ografis­che want het zou de beteke­nis van het kunst­werk beperken, het zou een ver­nauwde blik op de werke­lijkheid geven in plaats van haar te ver­ruimen. Niet mod­ern ook. Maar er is geen intensere manier om vra­gen ron­dom schuld en onschuld en de wreed­heid van het lev­en te for­muleren dan in de ver­tal­ing van het ondenkbare, per­soon­lijke ver­haal van Pedro Bakker naar een tekening. 

En zo komt Pedro er toe om in de laat­ste, meest fic­tieve, serie die hij over het fam­i­liedra­ma maakt zijn moed­er het gezelschap van Bataille te geven. De tekenin­gen ver­beelden hun stille gesprek, hun han­den die gebaren. Hun ver­haal start in 1939.

Pedro Bakker, Ma Mère et Georges B., 2008
Pedro Bakker, Burnt Home 5, 2009

Deel 2: Burnt Home 2009-2010

Al in 2008 maak­te Pedro Bakker zijn eerste teken­ing met de titel Ma Mère et Georges B.’ op een A-viert­je met pen, inkt en kleur­pot­lood. Gear­md lopen ze de kijk­er en hun toekomst tege­moet, de moed­er steekt een arm fier naar voren, Georges B pulkt aan zijn jas in een ambigue handeling.

Maar voor­dat hij deze teken­ing en de uitein­delijke serie L eter­nel retour kon mak­en legt Pedro een weg af vol obstakels en zijwe­gen. Na een studie in kun­st en filosofie werk­te hij geï­soleerd verder op een ate­lier in de Beem­ster, ver van de kunst­wereld. Via via nodigde hij de schilder Toon Ver­hoef uit op zijn ate­lier om zijn werk te bespreken. Vol aan­dacht bekeek Ver­hoef de miss­chien wat sti­jve maar indrin­gende portret­ten, van zijn broert­je Sjaak die in de sloot was ver­dronken, Sjakie in een doo­d­skist, zwevend in een Malewich-achtige rechthoek, een klein portret van zijn overleden vad­er, zijn moed­er en een priemend zelf­portret. Ver­hoef gaf com­men­taar vanu­it zijn over­tuigin­gen die overeenkwa­men met de heersende nor­men in die tijd en zoals ze ook op Ate­liers 63, waar Ver­hoef docent was, wer­den uitge­dra­gen, waar­bij de formele schilderkun­st ste­vig werd gepro­moot en het nar­ratieve en real­is­tis­che min of meer taboe was. Het onder­w­erp doet er eigen­lijk niet toe’, vertelde Ver­hoef aan Bakker. Koeien of bus­pas­sagiers, het maakt niet uit want een schilder­ij is eerst en vooral verf, kleur en com­posi­tie.’ Het was een ste­vig gesprek dat Bakker ver­ward achter­li­et. Het onder­w­erp koe kwam het ate­lier bin­nen en het beest bracht een exper­i­ment op gang in sti­jlen, kleuren en for­mat­en: soms een wat onge­makke­lijk geschilderde groep koeien in Munch-achtige kleuren, een oud­er­wetse zeven­tiende eeuws tafer­eel of een wellustige, romige koe in roze. In een smalle grote hout­skoolteken­ing (2004) zien we een stel run­deren in de wei met daar­voor de half­naak­te kun­ste­naar met een koeienkop op zijn schoud­ers. Pedro Bakker werd De Koe filosoof. Vanaf de negentiger jaren werd mid­dels per­for­mances, koeien­let­ters, schilder­i­jen en tek­sten het onder­w­erp Koe op al zijn mogelijkhe­den onderzocht. 

In 2012 doet Pedro Bakker een voors­tel om te pro­mov­eren in de kun­sten. In zijn tekst lees ik: de heden­daagse filosofie laat de ervar­ing toe, maar hoe kan een filosoof daarover schri­jven als hij meer studeert dan leeft! De filosoof die zich wijdt aan moord en erotiek is daarom gedoemd te mis­lukken. Om de onmid­del­lijke ervar­ing toe te lat­en zou Bataille het lief­st voor zijn luis­terend pub­liek gehoor willen geven aan een gril of plots opkomende begeerte, maar dan is de lez­ing weg. Wan­neer mij dergelijke grillen overkomen ben ik meestal in de buurt van mijn ate­lier, want daar kan ik me als teke­naar terugtrekken om in stilte een krabbel op papi­er te zetten. Op die plek sta ik open voor de zotte invallen waarover Bataille spreekt. Heb ik als kun­ste­naar wel toe­gang tot die extreme ervarin­gen van moord en erotiek?’

Hij behaalt zijn Mas­ter Artis­tic Research met als onder­w­erp Ma mere’, en dan ont­moet hij Gijs Friel­ing, een eigen­wi­jze kun­ste­naar die tegen de stroom in muurschilderin­gen maak­te vol uit­bundi­ge dec­o­ratie, per­soon­lijke ver­halen en voort­bouwend op tra­di­tie en rit­ue­len en die mid­den in het gesprek uitriep: Maar Pedro, je hebt een ver­haal te vertellen. Dat is de noodza­ak van je werk. Dat moet je uitwerken!’ Hij bracht Bakker weer terug bij het essen­tiële the­ma van zijn moed­er, en Friel­ing gaf hem ook de tools in han­den om het in zijn werk bin­nen te lat­en. Hij liet Pedro de tekenin­gen van Hen­ry Darg­er zien en dat mar­keerde een belan­grijk keer­punt want Darg­er werd ver­vol­gens het onder­w­erp van zijn artistieke mas­teron­der­zoek en diens werk bood hem zow­el het idioom om de gebeurtenis­sen te teke­nen als een beschouwend stand­punt ten opzichte van het kwaad. Als het beste resul­taat van zijn studie naar Darg­er noemt Bakker : I saw the light in the con­cept of neg­a­tiv­i­ty. We have to open our eyes for the neg­a­tiv­i­ty as sin’ in Darger’s art, to see in the scenes of stran­gu­la­tion of lit­tle girls his imag­i­na­tion of sac­ri­fice and death as his own negativity.

Pedro Bakker, Burnt Home 3, 2009

Op Valen­ti­jns­dag 2009 opende in Bureau Leeuwar­den de solo­ten­toon­stelling Sto­ry’ waar Pedro Bakker zijn fam­i­liegeschiede­nis als een ver­haal laat zien. De tekst OUR MUM FELT NEGLECT­ED AND WANT­ED SYM­PA­THY staat in grote let­ters op de muur geschreven. Daar­na werkt Pedro verder aan zijn eerste grote serie over het dra­ma uit zijn jeugd in de serie Burnt Home. (20092010)

De boerder­ij staat in brand, rode vlam­men, zwarte rook­wolken, de koeien vallen dood neer maar op de voor­grond gaat het fam­i­lieleven nog even rustig door. Vad­er laat zijn kinderen op een paard rij­den en slaat trots zijn arm om de jong­ste zoon heen. Op een kleed­je houdt de moed­er haar vingers om de keel van de baby heen, zijn mond lacht vrolijk ter­wi­jl de speelt­jes in zijn hand­je rinke­len. Het zus­je in haar roze pyja­ma slaat haar han­den ineen ter­wi­jl Pedro de han­den kruist en bidt tot de heilige Maria. Op een andere teken­ing uit de serie bidt een naak­te Pedro tot zijn moed­er die temid­den van de gegoede burg­er­ij in de kerk­banken zit, die brave burg­ers die zo goed het onder­scheid kun­nen mak­en tussen goed en kwaad, waar­bij ze zelf natu­urlijk aan de goede Chris­telijke kant zitten.

Van de boerder­ij waarin Pedro opgroei­de bli­jft weinig meer over dan een paar muren, een trap en wat ver­brande zwarte stak­en hout. Pedro, gebeld door de oud­ste dochter van de tweede vrouw van zijn vad­er, neemt het scherp in zich op en de beroete overbli­jf­se­len van het oud­er­lijk huis dienen als de achter­grond voor een serie tekenin­gen Burnt Home. De brand van de boerder­ij is als een streep door het verleden, een grote reinig­ing, die het Pedro mogelijk maakt het dra­ma een gezicht te geven in een losse men­geling van herin­ner­ing en feit­en en fan­tasie, waar­bij hem voor ogen staat om gebeurtenis­sen uit zijn jeugd op te rake­len zon­der een oordeel te vellen over zijn moed­er. De begrip­pen schuld en onschuld doe­men op in de achter­grond van de tekenin­gen.
Een blond jonget­je staat voor de deur en ziet net niet hoe zijn gek gewor­den moed­er door de buur­man­nen wordt wegge­dra­gen, hun han­den rak­en de zachte huid van haar benen, haar rok is wat opgeschort. Een buur­man glu­urt naar haar ges­lacht. Hun vingers aan haar naak­te huid, het is wal­gelijk. Op de voor­grond steekt een chris­tus aan het kruis in de grond. Het offer, een offer.
In de ruïne staat het doo­d­skist­je, het broert­je sti­jgt met vlin­dervleugels op naar de hemel ter­wi­jl de vad­er in zijn blauwe kiel met een blind­doek om naar het pub­liek lacht. Op de achter­grond fiets een jonget­je het water in.
Maar ron­dom de ver­brande boerder­ij schi­et het onkruid al weer uit de grond, na het vuur begint weer een nieuwe fase want de natu­ur absorbeert ons menselijk han­de­len tot de oneindigheid van de seizoe­nen, in een eeuwige cyclus. Moed­er aarde vin­dt het alle­maal niet zo belangrijk.

De zin in Burnt Home 3 as I approached the plea­sure point’ is een citaat uit het boek Guilty van Bataille. In die marge van ons blikveld bevin­dt zich het instinc­tieve bestaan, de lach, de nacht, de dood, het offer, de moord, de extase en de erotiek. In die marge bevin­dt zich ook het fam­i­lie trau­ma. Bataille noemt dit soort ervarin­gen het­ero­geen’, ongelijk­soor­tig.
Vanu­it het denken van Bataille kan Pedro het dra­ma beter begri­jpen want de daad van zijn moed­er vond plaats vanu­it een soort extatis­che waas van ver­dri­et en wan­hoop. Pedro onder­zoekt het door te teke­nen: Het het­ero­gene’ kan in de teken­ing kruipen, als een blinde vlek in de ooghoeken of door blind te teke­nen, het kan gaan zit­ten in een detail, in stille erotiek die zich nauwelijks laat ver­balis­eren. Neem de kop van mijn moed­er in Burnt Home 7. De een merkt op dat het de best getek­ende kop van deze serie is, mijn zus vin­dt dat ik mijn moed­er als een mon­ster heb afge­beeld. In wat van die kop zit nou het het­ero­gene’, ik weet het niet, in ieder geval niet in de woor­den mon­ster’ of goeie kop’. Op het het­ero­gene heb je tij­dens het teke­nen eigen­lijk nauwelijks greep. Ik kan me er wel voor open­stellen, daar bevin­dt zich nou juist wat we inspi­ratie noe­men of intuïtie. Joseph Beuys tek­ende dat eens als een streep­je dwars op de stroom van de hout­ner­ven. Zo ervaar ik dat ook, als iets wat onder­mi­j­nend is en wat een hoop gedoe kan veroorza­k­en, ten­min­ste als betrokke­nen het opmerken, want het kan ook onopge­merkt aan je voorbijgaan.’

Het het­ero­gene’ is onder­mi­j­nend en inspi­ratiebron tegelijk. Het homo­gene is ons aangepaste dis­cours, waarin je je keurig gedraagt zoals Bataille deed wan­neer hij in de bib­lio­theek werk­te. Maar hij lei­d­de een dubbelleven, s nachts was hij iemand anders.’
Jaren­lang zagen de ogen van Pedro Bakker het ver­haal dat hem was verteld, jaren­lang was hij onwe­tend van de werke­lijke gebeurtenis­sen.
Vanaf het moment dat hij de waarheid hoort kan hij zich niet meer aansluiten bij het leg­er van dege­nen die zich doof en stom houden, zoals zijn broers en zus dat liev­er doen en dat is ook te begri­jpen want schuld en schaamte slaan wild om zich heen. De ruzies in de fam­i­lie gaan pre­cies om dat toedekken of open­baren. Met het teke­nen van het fam­i­liedra­ma opent Pedro niet alleen het gesprek met zijn fam­i­lie over hun geschiede­nis, dat uit­loopt op enkel onbe­grip, maar hij brengt het ook in de open­baarheid, wat voor de zwi­jgers natu­urlijk ondraaglijk is. Mijn tekenin­gen zijn stom, zegt Pedro maar ook nadat de teken­ing tot stil­staan is gekomen op het papi­er en op een muur geprikt gaat het spreken en denken gewoon door. De nar­ratieve kant van het werk is eigen­lijk nooit afgerond in tegen­stelling tot een teken­ing. Het the­ma van schuld/​onschuld en het offer gaan door in een vol­gende reeks.

The Goatfucker, 2014, supergiant watercolour, Collection Fries Museum, Leeuwarden.

Deel 3: To Draw Politically

Nie­mand begri­jpt het kwaad op deze wereld, vooral niet in relatie tot religie want het is lastig te begri­jpen waarom God, die immers een en al goed­heid is, het kwaad heeft bin­nen­ge­lat­en in zijn schep­ping. De denker Spin­oza stelt bijvoor­beeld dat het kwaad gewoon­weg niet bestaat, in een door de vol­maak­te God geschapen wereld kun­nen alleen maar goede din­gen aan­wezig zijn. Het zijn de mensen zelf die din­gen als kwaad benoe­men en onder­scheid aan bren­gen tussen goed en kwaad. In zijn tijd kon­den de mensen hem niet vol­gen in zijn bere­dener­ing (zoals in de brieven van het kwaad’) en ook nu gaat het te ver. In de tien gebo­den staat Gij mag niet doden, al komt het wel na de gebo­den over dat er maar één god is en je je oud­ers moet eren. Inder­daad het mag niet, maar wat als je wordt bedreigd, wat als je thuis wordt mis­han­deld, wat als je in de war bent. Geen reken­ing houden met de omstandighe­den is inhu­maan maar ook al zijn de gren­zen tussen goed en kwaad zo soe­pel als een uit­geleb­berd elastiek­je, het kwaad oph­ef­fen gaat vri­jwel ieder mens te ver.

Het irra­tionele mensenof­fer fasci­neert mij mateloos’, zegt Pedro. De neg­a­tiviteit van de zonde die je zon­der nadenken overkomt. Gretig las ik Dos­to­jew­s­ki toen mijn zus over mijn moed­er vertelde, over wat er in dat hoofd van Raskol­nikov plaatsvond nadat hij de moord had gepleegd. Een soort­gelijke raz­ernij vin­dt in het denken van Bataille plaats toen hij Guilty schreef. Zijn geliefde Lau­re was aan tbc gestor­ven, maar had hij haar niet gevraagd beschik­baar te zijn voor een onthoofd­ing als lid van zijn bizarre genootschap L’Acéphale en zij had erin toegestemd! Het wan­hopige mensenof­fer betekent iets anders dan een poli­tieke moord. De laat­ste is ration­eel en vol­gens mij oper­eren Volk­ert van der G. en Mohammed B. op door­dachte wijze, als een politi­cus. Dat vind ik niet interessant.’

Pedro Bakker tekent Theo van Gogh als een ons­make­lijke naak­te rozige man die een geit neukt, als een geiten­neuk­er, de term die van Gogh gebruik­te om de groep Moslims neer te zetten als een stel­let­je onderon­twikkelde bar­baren uit de bergen. De moord op van Gogh en de com­motie die daar­na door Ned­er­land golfde waar­bij de anti­held Van Gogh een nieuwe sta­tus kreeg als icoon voor de vri­jheid van mening­suit­ing. Dat alles fasci­neerde Pedro Bakker mateloos. Met deze teken­ing plaatst hij zijn kant­tekenin­gen want Van Gogh was immers geen lieverd­je, hij kon intens beledi­gend zijn en was den­i­gr­erend over een hele groep gelovi­gen. Hij was zo ongeveer het tegen­deel van waarin wij jonge stu­den­ten geloof­den toen wij de Ped­a­gogis­che Acad­e­mie bezetten in 1970’, zegt Bakker. 

Het is een botte grofge­bek­te teken­ing waarin van Gogh een geit neukt in een herf­stig impres­sion­is­tisch Oost­er­park. De immense afmetin­gen van het papi­er mak­en je als kijk­er tot een directe getu­ige, een op een sta je toe te kijken. Een poli­tieke teken­ing roept andere vra­gen op over schuld en onschuld, er is alti­jd sprake van voorbe­dachte rade, van plan­ning en ratio. Hoe zeer Spin­oza het kwaad wilde weg redeneren, goed en kwaad zijn in de kern ver­schil­lende zak­en. Al kan het licht niet bestaan zon­der duis­ter­n­is, al hoort het slechte op een zen-achtige wijze bij onze wereld en, de schuld­vraag is niet zo maar uit te wis­sen. Het kwaad is min of meer een noodza­ke­lijk ver­schi­jnsel in de poli­tiek en cul­tu­ur om het goede te zien en na te streven’, zegt Pedro Bakker. En het offer­en van een mens, is dat dan deel van ons mens-zijn.
Een mensenof­fer betekent in essen­tie het doden van een mens als offer aan een God, het ombren­gen van een mens maar dan in de over­tuig­ing dat het juist’ is omdat het wordt gedaan in de con­text van een religie. Zoals God Abra­ham vroeg zijn zoon te offer­en, zoals heili­gen hun lev­en gaven ter wille van hun geloof, zoals som­mige moslims zichzelf en anderen offer­en vanu­it de over­tuig­ing dat ze daarmee het goede doen. In onze west­erse cul­tu­ur is de chris­telijke moraal van oud­sh­er door­drenkt met duidelijke gebo­den voor een goed lev­en. Homo’s en ander­s­denk­enden staan vol­gens veel gelovi­gen aan de ver­keerde kant van de lijn, de vero­ordel­ing is scherp en tol­er­antie en mede­do­gen zijn ver te zoeken. Over een mis­stap is geen dis­cussie mogelijk. De grens tussen schuld en onschuld is daarmee al snel als een rechte lijn neergezet in het homo­gene aangepaste discours. 

Over­al waar geweld is of geweld dreigt wor­den mensenof­fers gebracht. Wellicht hebben ook Volk­ert van der G. en Mohammed B. hun moor­de­naar­swerk als het bren­gen van een mensenof­fer opgevat. Het meest bek­ende mensenof­fer is dat van Jezus Chris­tus, het ver­haal van zijn lev­en en dood beheerst onze cul­tu­ur nog steeds tot in al zijn poriën. In het boek Guilty van Bataille komt God als de moor­de­naar van Chris­tus te voor schi­jn. De poli­tieke fig­uren in de serie tekenin­gen To draw polit­i­cal­ly gaan dan ook niet vri­juit. Het ver­haal van Pedro Bakker is vertrokken bij het irra­tionele mensenof­fer van zijn moed­er en onder­zoekt daar­na de andere kant, die van de op uiterst koel­bloedi­ge wijze voltrokken moorden.

Deel 4: The Woman of Fate

Het com­mu­nis­tisch verleden is als een schif­tende may­on­aise nog steeds lastig te hanteren in Chi­na. Voorzit­ter Mao gaat vri­juit en zijn sta­tus onaan­tast­baar, wat terug is te zien in de glim­mende gouden beelden, maar de naam van zijn vrouw mag je pub­lieke­lijk niet noe­men. Al het kwaad wordt in haar gepro­jecteerd en Pedro is van plan zich te richt­en op haar onschuldige kan­ten, het kwaad is immers veel grot­er dan Jiang Qing ooit in haar een­t­je kan dragen. 

Zeve­nen­der­tig jaar gele­den, in 1978, bezocht Pedro Chi­na met een groep van de Vri­je Uni­ver­siteit van Ams­ter­dam om onder­zoek te doen naar wat zij des­ti­jds als het goede’ zagen: com­munes en fab­rieken geleid door arbei­der­szelf­bestu­ur. Mid­den in de hip­pi­eti­jd was Ned­er­land in de ban van het social­is­tisch ideaal van delen en gelijkgestemd­heid. Een­maal in Chi­na werd Pedro vooral getrof­fen door de schoonheid van som­mige Chi­nese vrouwen, het was alsof hij zijn twee jaar daar­voor overleden moed­er zocht in dit verre land en haar inten­siteit herk­ende in deze vrouwen, de inten­siteit die de priester op haar begrafe­nis het inner­lijk denken en sterk voe­len’ noemde en waar de stugge West Friezen zo slecht mee uit de voeten kon­den. En meer dan de poli­tiek was Pedro des­ti­jds in de ban van de schoonheid van het land: de donkere ste­den, het onaange­taste plat­te­land en de een­voudi­ge mensen.

Terug in Chi­na is hij ander­maal over­weldigd door hun saamhorigheid en tekent de gewoonte van de Chinezen om s avonds op pleinen te dansen en in grote groepen met elka­ar hot pot te eten. Hij gaat op in de mas­sale lev­endigheid van de ste­den, zoals de oude wijk Huang Jue Ping in Chongqing met zijn tal­loze kleine zelf­s­tandi­gen die op de meest onbeduidende plek­jes de groot­ste bedri­jvigheid aan de dag weten te leggen. Vol­gens voorne­men start hij zijn onder­zoek naar mevrouw Mao en tekent haar en bedenkt een per­for­mance waar­bij hij zelfs in het Chi­nees zingt, maar wordt onder­tussen opnieuw betoverd door de vrouwen. Chenchen tekent hij als blengin’, pop en vlin­der tegelijk, ondoor­gron­delijk maar van grote schoonheid zweeft ze als een engel door de lucht. Deze muze is nauwelijks beschik­baar want Chenchen is sol­daat in het leg­er en dat maakt het lastig om met haar af te spreken. Dan vol­gt er een aan­doen­lijk portret van Hua Hua, die de kun­ste­naar met indrin­gende zwarte ogen aankijkt boven de sjaal die ze om heeft ges­la­gen. Uitein­delijk vin­dt Bakker zijn muze in Qian Xi oftewel Kin­na. Zij is nog jong, tweeën­der­tig en tolk en weet zich niet zo goed raad met de indrin­gende aan­dacht van Pedro. Na enige tijd ver­breekt ze zelfs alle con­tact. Pedro begri­jpt dat in Chi­na een meer afs­tandelijke cul­tu­ur tussen man­nen en vrouwen heerst en probeert bal­ancerend tussen de cul­turele onge­makken toch toe­nader­ing te zoeken. Qian Xi bli­jft zijn muze, in haar herkent Pedro opnieuw het inner­lijk denken en sterk voe­len’. Behoedza­am groeit het con­tact en dat resul­teert uitein­delijk in een uitwissel­ing. Qian Xi schri­jft een portret van Pedro in de vorm van een gedicht, als een muze die emancipeert, en een­maal terug in Ned­er­land tekent Pedro haar portret tegen een achter­gond van geel en ver­miljoen­rood. Ver­legen denkt ze er duidelijk het hare van, in enkel een T- shirt kijkt ze weg met in haar vreemde knuist het klassieke boek The dream of the red chamber.

Bij het mak­en van dit boek stelde Pedro zich de vraag of het mogelijk zou zijn bij de kijk­er een gevoel van onschuld op te roepen. De koe is onschuldig en naïef. Maar hoe onschuldig is het fam­i­liege­heim, het creëren van een mythe ron­dom zijn jonge moed­er en van de soms uit­ge­spro­ken poli­tieke ver­halen. Hoe onschuldig is mevrouw Mao. En Pedro zelf in zijn over­val op de muze?
Ondanks mijn tekenin­gen bli­jft mijn inner­lijke ervar­ing aan mijn pro­jecten kna­gen’ zegt Pedro, Er is geen antwo­ord op mijn vra­gen over schuld en onschuld. Dit boek gaat verder dan de hori­zon van de pro­jecten die ik uitvoer.’ 

Pedro Bakker, The woman of Fate. Performance, Chongqing